Vrouwvreemd

Negentien jaar geleden, in de zomer, werd Het Vrouwenhuis gesticht in een monumentaal grachtenhuis in het centrum van Amsterdam.

Het pand was door vooraanstaande feministes gekraakt. Alles moest toen mogen, kraken ook. Bij de ontsluiting van dit gildehuis van de vrouwenbeweging was er een samenkomst in het gebouw aan de Nieuwe Herengracht. Het was in 1974, al bijna dertig jaar wereldvrede. In de veiligheid van de salons in vredig Amsterdam werd opgewonden doorgepraat over de Amerikaanse politiek, Vietnam en Het Palestijnse Vraagstuk. De onbetwistbare strijd tussen de seksen echter werd op veel fronten in alle hevigheid gevoerd.

Ik liet me door een kennis meenemen naar het Vrouwenhuis. Ze vond het belangrijk dat ook zwarte vrouwen daar van zich lieten horen en zich niet langer schikten in hun lot van dubbel leed: rassendiscriminatie en vrouwenonderdrukking.

Met mijn kleur en sekse scoorde ik hoog op de grievenschaal. Het bomvolle Vrouwenhuis was één groot onderons waarin ik dadelijk als "zuster' werd benaderd. Vooral de vrouwen in degelijke tuinbroeken en verhullende overalls zagen er werklustig uit. Ik werd aangesproken door een stoere dame die er geen doekjes om wond. Ze zei dat ik haar bijzonder aantrok. Wel vond ze het bezwaarlijk dat ik zoveel dronk. Ze wees nadrukkelijk op mijn buik: “Jammer.”

Ik nipte van mijn wegwerpbeker met mineraalwater en zei: “Wat bedoel je.” “Nou,” liet ze zich ontvallen, “je drinkt teveel, schat. Jullie zijn zulke mooie mensen. Weet je dat wel.”

Zij doorbrak de korte stilte. “Ja, moet je horen, ik ben heel direct. Ik vind het gewoon zonde van je.”

“Maar ik ben zwanger”, zei ik.

“Wat! Dat meen je niet!” riep ze met een mengeling van minachting en medelijden uit. “Laat jij je nu nog penetreren?”

Het duurde even voor de opmerking tot mij doordrong. In haar zucht tot veroveren had een behoefte tot morele kolonisatie zich van haar meester gemaakt.