Van neo-kolonialisme in relatie tot Suriname is volstrekt geen sprake

Na mijn bezoek aan Suriname in 1988 constateerde ik een klimaat van angst bij de Surinaamse bevolking. Angst voor het optreden van de militairen, die het ook na de verkiezingen van 1987 in Suriname voor het zeggen hadden. Van die angst is de parlementaire delegatie die onlangs Suriname bezocht gelukkig niets meer gebleken. Men spreekt en schrijft weer frank en vrij, al weet men tegelijkertijd dat Bouterse en de zijnen op de achtergrond nog wel degelijk aanwezig zijn.

Op het gebied van herstel van democratie en rechtsstaat heeft Suriname sinds de verkiezingen van mei 1991 flinke vooruitgang geboekt. Van grove en systematische schending van mensenrechten is in Suriname geen sprake meer. De erbarmelijke situatie in de politiecellen in Paramaribo, waar veertig gevangenen in een soort varkenshok zitten, is mensonterend, maar de Surinaamse regering toonde dit aan ons met het doel deze wantoestand te beëindigen. Nederland dient daaraan op de kortst mogelijke termijn werkelijk hulp te bieden.

Een tweede pluspunt, naast herstel van democratie en rechtsstaat, is het herstel van de vrede in het binnenland van Suriname. De ondertekening van het vredesakkoord tussen de Surinaamse regering en onder meer het "Junglecommando' van Brunswijk heeft de weg geopend naar de mogelijkheid van herstel van de enorme materiële schade in Oost-Suriname. Aan deze reconstructie, ook ten behoeve van de in groten getale terugkerende vluchtelingen, dient de Surinaamse regering hoge prioriteit te geven. Nederland heeft zich terecht al bereid verklaard hieraan een substantiële bijdrage te leveren.

In vergelijking met de situatie van vier jaar geleden ben ik geschokt door de verloedering van de infrastructuur en het economisch verval van Suriname. Het straatbeeld in Paramaribo is troosteloos. Vele bedrijven en ook overheidsinstanties functioneren niet of nauwelijks. Dit is een gevolg van de economische en bestuurlijke situatie in het land.

Een onvoorstelbaar groot begrotingstekort - in 1992 van ten minste zestig procent -, monetaire financiering, inflatie en een enorm deviezentekort en een daardoor ontstane allesoverheersende zwarte valutamarkt zijn oorzaken van deze economische malaise. Een gebrek aan deskundigheid en een slecht bestuur komen hier nog bij. Dit trieste economische en maatschappelijke beeld staat in schrille tegenstelling tot de verrijking van steeds meer mensen die over deze nieuwe rijkdom nauwelijks of geen belasting behoeven te betalen. Ten slotte is er steeds meer sprake van een verstrengeling van economische en politieke belangen.

In deze situatie kan brede Nederlandse steun aan de ontwikkeling van Suriname slechts effectief zijn, als Suriname een drastisch economisch saneringsprogramma uitvoert. Een dergelijk programma is onder verantwoordelijkheid van de EG opgesteld en ligt op tafel bij de Surinaamse politici. De kern van dit programma is wisselkoersaanpassing en het daarmee beëindigen van de zwarte valutamarkt, alsmede sanering van het financiële en economische beleid van de Surinaamse overheid.

Het is noodzakelijk dat dit structurele aanpassingsprogramma integraal wordt uitgevoerd. Dat is ook sociaal mogelijk, want Suriname verkeert in de unieke situatie dat Nederland zich al bereid heeft verklaard te helpen bij de opvang van negatieve sociale gevolgen van dit programma. Slechts bij volledige uitvoering van het aanpassingsprogramma, zoals dit ook is bepleit door de EG-commissie, kan Nederland overgaan tot de in het protocol bij het Raamverdrag toegezegde financiële steun aan Suriname.

Ook in het Raamverdrag zelf is sprake van “een programma van aanpassing en structurele hervorming van de Surinaamse economie, gericht op herstel, groei en een rechtvaardige welvaartsverdeling”. Een integrale en onverkorte uitvoering van het EG-aanpassingsprogramma is daartoe de enige weg.

Zolang geen volledige zekerheid bestaat over deze economische en financiële sanering van de Surinaamse economie door de Surinaamse overheid, alsmede over drastische verbetering van het bestuur in Suriname, kan Nederland hoogstens projectsteun aan Suriname verlenen, die kan worden uitgevoerd met behulp van Nederlandse deskundigen. De zesentwintig projecten in de sfeer van politie, justitie en rechterlijke macht die reeds worden uitgevoerd, zijn daarvan een goed voorbeeld. Bij alle ontwikkelingshulpactiviteiten in Suriname is, zoals ook elders, strikte controle essentieel, zowel voor het versterken van het vertrouwen van de Surinaamse bevolking als voor het noodzakelijke draagvlak voor deze hulp bij de Nederlandse belastingbetaler. Met de Surinaamse regering dienen over deze controle door Nederland of de EG sluitende afspraken te worden gemaakt.

Herstel van democratie en rechtsstaat in Suriname en de vrede in het binnenland bieden voldoende politieke basis voor het invullen van de nauwe betrekkingen tussen Suriname en Nederland, zoals genoemd in het Raamverdrag tussen beide landen. Aan de hiertoe even belangrijke economische voorwaarden is echter pas voldaan wanneer Suriname het door de EG opgestelde structurele aanpassingsprogramma integraal gaat uitvoeren. Ook dan zal intensieve Nederlandse betrokkenheid geboden zijn bij de uitvoering van de nog resterende Nederlandse ontwikkelingshulp. Angst voor "neo-kolonialisme' is daarbij misplaatst. Al is het alleen, omdat je je kunt afvragen of het Surinaamse volk er in de periode 1954-1975 niet beter aan toe was dan in de periode van onafhankelijkheid daarna.

    • Frans Weisglas