Taai gevecht Bonn en Bundesbank

BONN, 17 SEPT. Sinds najaar 1989 woedt er een taai gevecht tussen de Bundesbank en de Duitse regering. Of eigenlijk: tussen zwaarwegende economische en politieke wensen en imperatieven, die elk in onderscheiden handboeken hun rechtvaardiging konden vinden maar tot vandaag wel bleven botsen. In dat opzicht zaten en zitten er in de Duitse geschiedenis van de afgelopen drie jaar, en daarmee in de Europese, ook een reeks “onvermijdelijkheden”. In vogelvlucht bezien verliep het proces zo:

1) In de eerste maanden van 1990 werd duidelijk dat de Duitse eenwording veel sneller zou komen, en moest komen, dan in Bonn en andere hoofdsteden was voorzien en/of gewenst. De Oostduitsers stemden met de voeten en kwamen met tienduizenden per maand naar het westen. Kohl schoof een gefaseerd plan voor de economische eenwording (dus) van tafel en beloofde de inwoners van de nog bestaande DDR een Duits-Duitse monetaire unie per 1 juli 1990. Voor Karl Otto Pöhl, destijds Bundesbank-president, was een tragische bijkomstigheid dat hij terwijl de kanselier dat besluit in Bonn nam net met zijn collega Kaminsky van de Oostduitse rijksbank in Oost-Berlijn op een persconferentie uitlegde dat de beide Duitse economieën naar aard en kracht zó verschillend waren dat zij niet snel zouden kunnen worden verenigd;

2) 1990 was een jaar met vele verkiezingen in Duitsland, met als beslissende finale de Bondsdagverkiezingen van december. Praktisch alle economen van naam, bijvoorbeeld ook de Nederlandse bankpresident Duisenberg, verkeerden toen nog in de waan dat de grote Westduitse economie de failliete boedel van Erich Honeckers DDR binnen een jaar behoorlijk zou kunnen opkrikken. Tegen die achtergrond ging Kohl weer in tegen de monetaire adviezen van de Bundesbank en “schonk” de Oostduitsers midden 1990 de D-mark voor een prettige maar totaal irrealistische koersverhouding van 1 op 1 dan wel 1 op 2 tussen D-mark en Oost-mark.

Pag.21: Europa betaalt: gewonden langs de weg

Zijn openlijke politieke bruskering van de Bundesbank zou wel eens het echte motief kunnen zijn geweest voor Pöhls tussentijdse vertrek om “privéredenen”, kort daarna;

3) Wat een monetaire zegen voor de Oostduitse consument (en kiezer) was, bleek een industriële ramp voor de Oostduitse industrie. De toch al kwijnende export naar Oost-Europa werd te duur en klapte in elkaar en op de wereldmarkt was de concurrentie te scherp. Daar kwam, in de loop van 1991, nog iets bij. Zeer grote bedragen (een kleine 100 miljard mark) moesten - ook om politieke redenen - worden uitgetrokken voor hulp aan Oosteuropese landen en de Sovjet-Unie. En daar kwam nog iets bij. Namelijk het snel groeiende inzicht dat praktisch iedereen zich formidabel had vergist in de kosten en de duur van de economische opbouw van Oost-Duitsland (voor de komende tien jaar intussen nader begroot op zo'n 150 tot 180 miljard 's jaars). Met de verkiezingswinnaar en eenheidskanselier Kohl als eerstverantwoordelijke;

4) Na zo'n zeven jaar onafgebroken hoogconjunctuur, en na de vaak herhaalde politieke verzekeringen (zie boven) dat niet of nauwelijks extra offers nodig waren om de eenwording te financieren, bleken de “verwende” Westduitse werknemers en hun vakbonden (die in Oost-Duitsland op ledenjacht zijn) niet bereid om CAO-eisen op de nieuwe nationale werkelijkheid af te (laten) stemmen. Integendeel: er rolden in '91 en '92 zeer kostbare, economisch eigenlijk “te dure”, loongolven door West-Duitsland terwijl voor Oost-Duitsland ondanks de daar nog zeer lage produktiviteit een volledige CAO-aanpassing in etappes tot eind 1994 werd afgesproken.

De lasten zijn enorm, de overheidsschulden stijgen dramatisch, de politici zijn beter in lenen dan in snoeien, zo is alom zichtbaar. De afkeer van “de politiek”, die niet waar kon maken wat zij beloofde, de angst voor een onzekere toekomst (bijvoorbeeld wegens het “verkwanselen van de D-mark” in het Maastrichtse EMU-verdrag, wat juist Helmut Kohls grote politieke investering in de Europese integratie is) hebben intussen in heel Duitsland een hoge vlucht genomen.

De Bundesbank trapte voortdurend op de rente-rem, ondanks de almaar heviger kritiek uit het buitenland (en uit Bonn), ondanks de bijna overal stagnerende internationale conjunctuur, om de stabiliteit van de D-mark te dienen. En ook de Europese monetaire stabiliteit, zoals bankpresident Helmut Schlesinger met recht volhield. En toen schoot, afgelopen week, de kurk uit de fles onder het geweld van de geldmarkten. Ja, Schlesinger hielp de fles omkeren door de monetaire operatie van het afgelopen weekeinde (de devaluatie van de lire en de kleine Duitse renteverlagingen) zelf direct daarna in een interview als te beperkt te omschrijven. De rekening voor 1989 ligt op tafel, politiek én economisch. Heel Europa betaalt mee, en niet naar draagkracht maar ook naar reële zwakte, de gewonden liggen langs de weg.