Regisseur Luc Bondy onthoudt zich van moreel oordeel; Mysterie Salome blijft onverklaard

Voorstelling: Nationale Opera Brussel met Salome van R. Strauss o.l.v. Antonio Pappano m.m.v. o.a. Catherine Malfitano (Karen Huffstodt 24, 26, 29/9; 2, 4/10), Walter Raffeiner, José van Dam en Livia Budaï-Batky. Decors: Erich Wonder; kostuums: Susanne Raschig; choreografie: Lucinda Childs; regie: Luc Bondy. Gezien: 15/9 Kon. Muntschouwburg Brussel. Herhalingen: 17, 20, 22, 24, 26, 29/9; 2, 4/10.

Twee muzikaal en dramatisch fascinerende opera's zijn voor mij eigenlijk onverdraaglijk omdat ook nog lang na het slot van de voorstelling hun onmenselijke emotionaliteit blijft schrijnen. De gevoelens van verbijstering, afschuw en machteloosheid die ze oproepen blijven aanwezig, zonder dat ik ze kan wegredeneren of ermee in het reine kan komen. Zo doodt in Jenufa van Janácek een pleegmoeder het buitenechtelijk geboren kind van haar pleegdochter. Als het wordt ontdekt, legt ze haar pleegdochter uit dat ze het deed met de beste bedoelingen, omdat ze dacht dat het kind haar toekomstig levensgeluk in de weg zou staan.

En in Richard Strauss' Salome zien we de jonge prinses Salome haar eerste en tegelijk laatste momenten van vermeend liefdesgeluk beleven: ze probeert vergeefs Johannes de Doper te verleiden en krijgt het dan voor elkaar wraak te nemen door haar stiefvader Herodes te dwingen haar zijn afgehouwen hoofd aan te bieden op een zilveren schaal. Ze kust de dode lippen van de profeet, die bitter smaken. “Misschien was het de smaak van de liefde”, zingt Salome. Herodes laat haar dan doden, maar een moment van rechtvaardigheid en genoegdoening levert dat voor mij niet op.

Zo mogelijk nog meer dan door vorige voorstellingen werden die gevoelens van walging bij mij opgewekt tijdens de Salome-produktie die nu te zien is bij de Brusselse opera. De voorstelling van regisseur Luc Bondy, een co-produktie die deze zomer al was te zien tijdens de Salzburger Festspiele van Gerard Mortier, is heel ouderwets van opzet. Het bijbelse verhaal - naar het toneelstuk van Oscar Wilde - wordt naturalistisch gevolgd en uitgebeeld. Als men Salome ziet ronddansen met dat hoofd van Johannes de Doper, dan ziet dat er erg schrikwekkend echt uit, alsof José van Dam zojuist werkelijk de kop is afgeslagen. Maar elke duiding en verklaring van de handeling ontbreekt. Daarin staat deze produktie diametraal tegenover bij voorbeeld de geweldige Salome-voorstelling die regisseur Harry Kupfer maakte voor de Nederlandse Opera.

Kupfer gaf een scherpe tekening van de politieke en religieuze omstandigheden waarin de moreel verderfelijke en decadente Herodes verkeerde - een soort burgemeester in oorlogstijd, gevangen tussen de bezettende Romeinen en de rivaliserende joodse facties die hij koest moest houden. Kupfer schetste een gedetailleerd beeld van de moeizame, onderling conflicterende verhoudingen tussen Herodes, zijn vrouw Herodias en haar dochter Salome. Salome werd door Kupfer gesitueerd in een kil glazen paleis, gestoffeerd met tijdloze twintigste-eeuwse design-meubelen.

Bij Bondy niets van dat alles: het decor is een uitgebrande zaal, alles is zwart geblakerd, de parketvloer is half ingestort na de val van een reusachtige monoliet, die doet denken aan een grafzerk. Daaronder zit Jochanaan (Johannes de Doper) gevangen en wordt hij onthoofd. Wat die zerk nu precies is en wat voor ramp zich hier heeft afgespeeld, dat alles blijft een raadsel.

De tijdsaanduiding in de kostumering is ook onduidelijk, maar lijkt geïnspireerd op de tijd van het ontstaan van de opera, 1905. Ook de speelstijl is van vroegere dagen, met overdadige, soms bijna komische gestiek en mimiek in de stijl van de stomme film van Fritz Lang. Meer houvast biedt Bondy niet. De gruwelijke gebeurtenissen spelen zich als vrijwel vanzelfsprekend af, bijna terloops maar onafwendbaar, en ze worden niet sociaal of psychologisch verklaard of onderworpen aan een moreel oordeel.

Herodes is een sul, maar ook niet veel meer. Salome is een ongrijpbaar personage. Ze doet zich aan ons voor als een heel gewoon aardig meisje, zij het onvoorspelbaar reagerend en ze is zeker niet het produkt van haar omgeving. Ze heeft geen behoefte aan de boze influisteringen van Herodias, die hier niet als in andere voorstellingen zo'n perverse intrigante is.

Het Salome-verhaal trekt zomaar voorbij, het mysterie ervan blijft onverklaard en onverklaarbaar, waardoor het nog verontrustender en weerzinwekkender is dan voorheen. In de menselijke geest gapen diepe afgronden, zulke immorele, onmenselijke dingen gebeuren kennelijk gewoon, zomaar, eigenlijk zonder reden. Het is alsof zoiets zich ook bij de buren of in de eigen familie zou kunnen voltrekken, net zoals in ons "beschaafde' werelddeel zich ineens een burgeroorlog kan voltrekken en buren elkaar plots gaan afslachten.

Muzikaal en vocaal is deze voorstelling van zeer hoog niveau. Catherine Malfitano is een van de grote Salome-vertolksters van deze tijd, ze zingt, acteert en danst haar sluierdans - een choreografie van Lucinda Childs - op superieure wijze. Walter Raffeiner (Herodes) en Livia Budai (Herodias) zijn voortreffelijk en José van Dam is als Jochanaan een profeet zoals die moet zijn: standvastig en zingend met een van boven gekregen stem. Antonio Pappano, de in 1959 in Engeland uit Italiaanse ouders geboren nieuwe chef-dirigent van de Brusselse opera (de opvolger van de naar Frankfurt vertrokken Sylvain Cambreling) toont zich bij zijn Brusselse operadebuut een buitengewoon capabel theatermusicus, die deze voorstelling vanuit de orkestbak fantastisch ondersteunt met een enorme directheid. Deze muziek kan wel met nog iets meer raffinement worden gespeeld, maar men gaat niet naar een Salome om te genieten.