Op zoek naar het goede voorbeeld; Vraaggesprek met Prof.mr. E.M.H. Hirsch Ballin en prof.dr.ir. J.M.M. Ritzen

Net als in andere jaren worden de burgers in de rijksbegroting opgeroepen zich deugdzamer te gedragen. Het maatschappelijke debat daarover wil echter niet vlotten. De twee moralisten in het kabinet, de christen-democraat Hirsch Ballin en de sociaal-democraat Ritzen, spreken dan ook met een mengeling van idealisme en realisme over hun ethisch offensief.

Prof.mr. E.M.H. Hirsch Ballin, minister van justitie, heeft nog nooit een stickie gerookt. Zijn collega van onderwijs, prof.dr.ir. J.M.M. Ritzen, trok in zijn studietijd wel enige keren aan een joint. Hij inhaleerde zelfs, al ging dat gepaard “met enig gevoel van zenuwachtigheid”.

Wie eisen stelt aan de deugdzaamheid van de burger kan vragen over het eigen gedrag terugverwachten. De twee ministers die zich - meer dan andere leden van het kabinet-Lubbers III - op het moreel gedrag in de samenleving richten, lijken de vraag over hun gebruik van genotmiddelen te hebben zien aankomen. Toch verwachten ze niet dat hun pleidooien voor een sterker normbesef zullen leiden tot Amerikaanse toestanden waarin vragen over cannabis-gebruik inmiddels tot de journalistieke routine behoren.

Natuurlijk: “Er moet een goed voorbeeld gegeven worden”, zegt Hirsch Ballin, “een goede stijl in de manier van werken van politici en ambtenaren - wat iets anders is dan scherpslijperij. Dat stelt ook persoonlijke eisen aan hen. Anderzijds moeten we geen kunstmatige tegenstelling creëren tussen de deugdzamen en de rest van de samenleving”.

“Daar ben ik het niet mee oneens”, vult Ritzen beleefd aan. “Sterker nog, daar ben ik het geheel mee eens. We moeten oppassen voor hypocrisie of heilige-boontjesgedrag. Anders komen politici te ver af te staan van de bevolking.”

Ze voelen elkaar aardig aan, de katholieke christen-democraat en de ex-katholieke socialist. Op het kruispunt van christelijke gemeenschapszin en socialistische solidariteit bevindt zich een van de opzienbarendste ideologische ontwikkelingen van de laatste jaren: het gezamenlijk optrekken van christen-democraten en socialisten tegen wat de "calculerende burger' is gaan heten: in het eigen belang handelend, handig gebruikmakend van de regels van fiscus, sociale zekerheid of andere subsidie-verleners.

Ook de rijksbegroting waarmee de coalitie volgens premier Lubbers Nederland niet alleen “sterk” maar ook “geloofwaardig” wil maken, houdt rekening met de reactie: "Kijk naar je zelf'. Enerzijds kondigt het kabinet een offensief aan tegen het misbruik van fiscale regelingen en sociale uitkeringen. Anderzijds begint de Binnenlandse Veiligheidsdienst een groot onderzoek naar corruptie onder ambtenaren.

Het kabinet is het debat over normherstel behendiger gaan voeren. Hirsch Ballin, die zich daar als belangrijkste ideoloog van het kabinet het meest in roert, is zich de beperkingen van een al te moraliserende benadering gaan realiseren. Ook hij moest compromissen sluiten met de werkelijkheid zoals bij de euthanasie en het heenzenden van verdachten bij gebrek aan cellen. Schuld en boete zijn, na twee jaar samenwerking met de wat optimischer over de menselijke natuur denkende socialisten, minder dominant geworden in zijn betoog.

Zo ging Hirsch Ballin in zijn beleidsnota "Recht in Beweging' van 1990 nog flink tekeer tegen een “gebrekkig ontwikkeld geweten” en “tekenen van normloosheid” in de samenleving. Het "individualistisch ethos' kon alleen met een combinatie van krachtige rechtshandhaving en vergroting van het normbesef door kerken en andere levensbeschouwelijke instanties worden tegengaan. Nu wil de bewindsman de burger iets minder schuldig verklaren. Hij mijmert over “het ideaal van een samenleving die is gebaseerd op wederzijds respect, democratie en rechtstaat. Dat ideaal moeten we overbrengen in een tijd die is vergeven van het realiseren van wensjes, het binnenhalen van dit of dat voordeeltje, het beleven van dit of dat leuke momentje - niet dat ik iets tegen leuke momenten heb, hoewel ook weer niet van elke soort. Maar met de constante behartiging van dit of dat deelbelang, verliest de democratie aan geloofwaardigheid en respect”.

Door de ontzuiling (in "Recht en beweging' nog de grote oorzaak van de normloosheid) zijn “knellende banden weggevallen en is de mogelijkheid voor het dragen van eigen verantwoordelijkheid vergroot”, zegt de bewindsman nu. Hij noemt dat “winst”. “Mijn kritiek geldt niet de ontzuiling maar het achterwege blijven van een appel op die nieuw verworven verantwoordelijkheid. Van een wandelaar, een trekker, kun je zeggen dat het heel mooi is dat hij in ruw terrein het rechte pad heeft weten te vinden. Aan een trein, die datzelfde pad heeft afgelegd, maak je dat compliment niet.”

Op hun beurt zijn de sociaal-democraten richting christen-democraten opgeschoven nadat ze de calculerende burger als bedreiging voor de betaalbaarheid en regeerbaarheid van de verzorgingsstaat zijn gaan zien. Minister Ritzen: “Die calculerende burger kost ons heel veel in termen van fraude-bestrijding, apparatuur, elkaar in de gaten houden. We hebben daarvoor dingen moeten doen die we liever niet gedaan hadden, zoals de invoering van een legitimatie-plicht”.

Daarom nodigde Ritzen dit voorjaar in een brief aan de onderwijsorganisaties ("De pedagogische opdracht van het onderwijs. Een uitnodiging tot gezamenlijke actie') de scholen uit meer aandacht te geven aan hun opvoedende taak. Net als Hirsch Ballin bij de kerken constateert Ritzen bij de scholen “morele terughoudendheid” en een “zekere verlegenheid” om zich op het normbesef te richten. Met het debat wilde Ritzen, net als Hirsch Ballin, tevens de zware nadruk op geld en structuren in de maatschappelijke discussie relativeren.

De eensgezindheid die de twee etaleren (Ritzen tot Hirsch Ballin: “Ik had het niet mooier kunnen zeggen”. Hirsch Ballin tot Ritzen: “Ja, daar ben ik het helemaal mee eens”.) kan echter bestaande meningsverschillen niet verhullen. Wat bedoelen de bewindslieden eigenlijk als ze het hebben over "burgerzin', "gemeenschapszin' en "verantwoordelijkheidsbesef'? En hoe is te voorkomen dat de moraal-discussie tot politici beperkt blijft terwijl de samenleving rustig doorcalculeert?

Ritzen weet ook niet precies hoe hij de begrippen concreet moet invullen. “Zelf heb ik geen scherp beeld voor ogen waar de discussie ons over tien jaar brengt”, zegt hij. “Het gaat mijzelf niet alleen maar om gemakzucht of hedonisme, maar ook om tolerantie, mensenrechten en gemeenschapszin. Het economisch denken van de laatste vijftien jaar is sterk beheerst door competitie. Maar er is nadrukkelijk een nieuwe school in opkomst met nadruk op afspraken, coöperatie en coördinatie.” En, hij was het bijna vergeten: “De positie van de minima hoort ook bij die gemeenschapszin. Solidariteit moet brede steun krijgen in de samenleving, niet alleen een politiek mechanisme zijn”.

Hirsch Ballin knikt heel langzaam, maar geeft het normherstel toch liever een andere invulling. “Waar het mij om gaat”, zegt de bewindsman, “is de manier waarop mensen met elkaar omgaan in deze samenleving. Slachtoffer worden van criminaliteit is heel wat anders dan het leiden van een financieel nadeel dat al dan niet kan worden gedeclareerd. Ik sprak laatst op werkbezoek in Rotterdam iemand die als bankemployee in een filiaal stond dat tot vier keer toe is overvallen. Dat probleem is voor haar niet opgelost als het geld terugkomt, of de bank het verlies in de marges van de rente terug kan halen. Nee, er is een inbreuk op haar leven gepleegd en op het vertrouwen in mensen met wie zij samenleeft.”

Beide bewindslieden zijn het er roerend over eens dat het niet de staat is die moet moraliseren maar in de eerste plaats de samenleving zelf. Lespakketten die de "socio-morele'-ontwikkeling van kinderen moeten bevorderen, zoals de minister van justitie onlangs door de Nederlandse Onderwijs Televisie liet ontwikkelen, kunnen daarbij misschien helpen. Maar verder?

Ritzen realiseert zich dat een christen-democratisch politicus als Hirsch Ballin traditioneel over meer aanspreekpunten beschikt dan hijzelf. Zo bezoekt de minister van justitie aanstaande zaterdag de Kerkendag in Amersfoort, een grote manifestatie van de ongeveer vijftien kerkgenootschappen in Nederland, om daar zijn "appel' uit 1990 kracht bij te zetten.

“Mijn collega heeft het gemakkelijker”, zegt Ritzen. “Die kan zeggen: "Dit zijn mijn oriëntatie-punten'. Bij mij staan die niet vast. Bij mij gaat het als het ware om een lekenkerk waarin elk individu het aanspreekpunt is. Ik ga er inderdaad veel meer van uit dat het individu in het debat geneigd is zich te committeren aan waarden en normen. Ik zie het als een combinatie van individualisme en emancipatie. Indicipatie heb ik dat wel eens genoemd.”

Vaag of vrijblijvend? Ritzen werpt dit verwijt ver van zich. “Ik wil de mensen aan een proces binden, niet aan de uitkomst. We moeten allerlei wereldlijke instanties, scholen, bedrijven, vragen wat nu precies de ijkpunten zijn van hun optreden. We kunnen op dit punt leren van de Verenigde Staten. Daar functioneren ethische commissies in grote en middelgrote bedrijven. Het zijn mensen van binnen en buiten het bedrijf, een soort van raad van commissarissen die niet naar de financiële prestaties van het bedrijf kijkt maar naar de handelwijze, bijvoorbeeld op milieu-gebied.”

“Wat een uitstékend voorbeeld”, roept Hirsch Ballin, zonder zijn instemming overigens verder toe te lichten. Inmiddels zijn de redenen daarvoor duidelijk. In een gisteren in NRC Handelsblad gepubliceerde nota van Binnenlandse Zaken en Justitie over de georganiseerde misdaad pleiten minister Dales en minister Hirsch Ballin voor het instellen van “ethische bedrijfscodes” waarmee aan “managers en medewerkers een normatief oriëntatiekader kan worden geboden. Wij menen dat hierdoor de weerstanden binnen het bedrijf tegen contacten met criminele organisaties kunnen worden versterkt”, aldus de twee ministers.

Ritzen mag dan de vrijblijvendheid van een Balie-achtig debat verweten worden, Hirsch Ballin wekt met bovenstaande teksten licht de indruk dat hij vooral in de discussie over normen en waarden genteresseerd is om zijn beleid te laten slagen. Spreekt de bewindsman bijvoorbeeld religieuze waarden, niet bedoeld om boeven mee te vangen, aan om begrip te kweken voor een intensievere fraude-bestrijding?

“Nee, dat is een geheel verkeerde voorstelling van zaken”, reageert Hirsch Ballin. “Wanneer we ons richten tot de kerken is dat geen handige manier om een lager criminaliteitscijfer te bereiken, al kan de mate waarin het verantwoordelijkheidsbesef groeit wel tot uitdrukking komen in die cijfers. Maar voor mij zijn die cijfers niet maatgevend. Voor mij is het wederzijds vertrouwen maatgevend en een op respect gebaseerde manier van samenleven.”

Hirsch Ballin onderstreept dat het strafrecht in de jaren negentig niet het nieuwe onderwerp op de kerkkansel hoeft te worden nadat de kruisraketten of nucleaire afschrikking als religieus thema verdwenen zijn. Maar de kerken moeten ook weer niet denken dat ze van hem af zijn. Op een symposium over Burgerschap en Levensbeschouwing dit voorjaar zei Hirsch Ballin dat “binnen levensbeschouwelijke organisaties veel vaker en luider gesproken zou moeten worden over de belastingmoraal en de moraal met betrekking tot sociale uitkeringen. Zijn de giften welkom van kerkleden die een veelvoud van het gegeven bedrag hebben onthouden aan de fiscus? Of zijn zulke donaties de eigentijdse vorm waarin aflaat voor belastingfraude wordt verkregen?”

Of door zo'n benadering het maatschappelijk debat over normen en waarden alsnog ontbrandt, moet onder meer zaterdag op de Kerkendag blijken.