Oogstmaan en jagermaan

Aan veel ontdekkingen ligt niet meer ten grondslag dan een pure vergelijking: meten is weten en meten is in essentie vergelijken. Maar er is ook een vergelijken dat niet uit meten bestaat en dat zeker zo vruchtbaar is: het vergelijken van tabellen. Vorige week vergeleken we de lijst van "eetbare gewassen' met de lijst van giftige planten en stelden vast - zonder dat hier te melden - dat de ene Nederlander ons aanbeveelt thee te zetten van Lelietjes van Dalen terwijl de ander met klem tegen de giftigheid van het plantje waarschuwt.

Vandaag leggen we de "Sterrengids 1992' naast de "Getijtafels voor Nederland 1992' en de zevende druk van de Winkler Prins naast de nieuwe negende.

Het gaat om de maan deze keer, de volle maan om precies te zijn. Daarmee is dezer dagen iets vreemds aan de hand en het komt er op aan om (1) aannemelijk te maken dàt er iets vreemds aan de hand is en (2) de simpelste verklaring daarvoor in eenvoudige bewoordingen te vangen.

Enige basiskennis is onontbeerlijk. Essentieel voor de beschouwing is het gegeven dat de aarde in een jaar om de zon draait en in 24 uur om haar eigen as, dat de maan in een ("kleine') maand om de aarde draait en dat alle draaiing, wonderlijk genoeg, in dezefde richting plaats vindt (tegen de klok in, voor wie ons zonnestelsel vanaf het "noorden' bekijkt). En dat aard- en maanbaan praktisch in hetzelfde vlak liggen: dat is het vlak van de ecliptica. Omdat dat zo is volgt de maan aan de nachtelijke hemel dezelfde route tussen de sterren als de zon overdag en zijn er regelmatig zons- en maanverduisteringen. Uit het feit dat die ook weer niet zó algemeen zijn, leidt de scepticus af dat het beeld niet helemaal klopt. Dat is juist maar doet nu even niet terzake.

Omdat het niet meevalt vanaf een zelf draaiende aarde vast te stellen hoe snel de maan om de aarde draait zijn in de loop van de geschiedenis verschillende opgaven voor de omwentelingstijd van de maan gedaan, elk met hun eigen gebruikswaarde. De gemiddelde tijd die er verloopt tussen twee opvolgende volle manen (of nieuwe manen natuurlijk) heet de synodische maand. Deze bedraagt 29,53 dagen (709 uur).

Met hulp van de juist verstrekte gegevens, mogelijk verwerkt in een klein tekeningetje, rekent de lezer uit dat de maan elke avond zo'n 50 minuten later op moet komen om na 29½ dag weer eenzelfde schijngestalte te krijgen. En gemiddeld klopt dat ook, daar valt in deze cirkelredenering niet aan te ontkomen, maar uitsluitend: gemiddeld. Alleen al deze maand blijken de maansopgang-intervallen te schommelen tussen 14 en 87 minuten. Sterrengids en Getijtafels geven de waarden voor elke dag. Afgelopen zaterdag was het volle maan, de maan kwam op om 19.35 uur en de dagen ervoor en erna zat daar steeds maar ongeveer een kwartier verschil tussen.

Dat is geen bijzonderheid van 1992 maar komt elk jaar voor bij het begin van de herfst. In Engeland is de anomalie, die als nuttig effect heeft dat men ruim een halve week na volle maan nog steeds veel steun van het maanlicht ondervindt als men kort na zonsondergang in het vrije veld verkeert, zelfs een aparte naam gekregen: harvest moon.

Oogstmaan is in Nederland geen levend begrip. Een soortgelijke gang van zaken in oktober heet hunter's moon. Jagersmaan. De oude Winkler Prins had er nog een paar woordjes voor over, de nieuwste druk heeft het fenomeen geen aandacht meer gegeven.

Gelukkig heeft de onvolprezen Sterrengids er dit jaar een aparte beschouwing aan gewijd. Dat bood de gelegenheid aan auteur Mat Drummen de intrigerende vraag voor te leggen waarom hij uitgerekend in september op het fenomeen wijst terwijl het effect, althans dit jaar, in augustus sterker was (zoals kampeerders moet zijn opgevallen: half augustus kwam de maan dagenlang praktisch op hetzefde tijdstip op) en hoe het bestaan van een oogst- en jagersmaan begrijpelijk kan worden gemaakt.

Dat van augustus was Drummen ontgaan, hij houdt het er maar op dat het een eenmalige gebeurtenis is, en in dialoog met deze krant noemt hij als voornaamste oorzaken van het fenomeen het feit dat de aardas ook nog eens een scherpe hoek van 66,5 graden maakt met het vlak van de ecliptica -waaruit ook zoiets als de seizoenen voortvloeit - en dat wij vanaf onze plaats op de globe (52 graden noorder breedte) een beetje ongelukkig tegen zon en maan aankijken. Aan de evenaar heeft men minder last. Tot een overtuigender en meer gedetailleerde verklaring kan het hier niet komen.

Belangrijk is dat het "achterlopen' en "voorlopen' van de maan niet alleen subjectief is. Dat wordt onderstreept door het feit dat de opvolgende hoog- en laagwaters, die gemiddeld ook elke dag 50 minuten later komen, een patroon van voor- en achterlopen op die 50 minuten vertonen dat sterk lijkt op dat van de maan. Drummen ziet als verklaring voor de, overigens bescheiden, afwijkingen tussen de onregelmatigheden in het voor- en achterlopen van de getijden en dat van de maan, de aantrekkende werking van de zon, die immers ook de oceanen aan het stromen brengt. Een getijdedeskundige die zijn licht over de zaak liet schijnen was gisteren niet te vinden.

Tussen deze losse einden moet één intrigerend los eind aparte aandacht krijgen: waarom zou men in hemelsnaam de volle maan van eind september de harvest moon noemen? De graanoogst is binnen lang voor de maand augustus om is. Het plukken van fruit valt buiten de oogst-folklore, aardappels, suikerbieten en snijmais zijn relatief moderne gewassen, druiven komen in Engeland niet voor. Welk gewas werd er laat in september geoogst dat zó gevoelig was voor regen en vocht dat men ervoor bereid was 's avonds door te werken op voorwaarde dat de harvest moon voldoende bijlichtte? Landbouwkundigen in Wageningen slaan dicht van dit soort vragen en verwijzen gretig naar het P.J. Meertens Instituut in Amsterdam. Het instituut voor volks- en naamkunde van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen.

Maar het instituut had gisteren een instituutsuitstapje en de enige medewerkster die thuis bleef zag geen kans helderheid te scheppen. ""Wij zijn een wetenschappelijk instituut, we doen veel literatuuronderzoek en ook veldwerk en voor uw vraag zou een apart onderzoek opgestart moeten worden en dat doen we niet zomaar.'' De verslaggever bleef achter met het onbehaaglijke gevoel dat zijn vraag geen enkel wetenschappelijk belang had.

Terwijl hij toch nog had nagegaan dat het woord "oogst' etymologisch naar augustus verwijst en dat in Tibet oogstfeesten zonder uitzondering in de achtste maanmaand gevierd worden. In augustus. Zo komt men tot het opstellen van een hypothese, een vrijblijvende zaak die toch veel bevrediging schenkt. Ofwel: het begrip harvest moon sloeg op de volle maan van augustus en is per abuis in september terecht gekomen, of de oogstmaan verwijst naar een regengevoelig akkerbouwgewas dat nog in september geoogst werd. Omdat boekweit vroeger op grote schaal geteeld werd en het gewas, anders dan de echte grassen als tarwe, haver en gerst, laat bloeit en dus overeenkomstig laat vrucht zet, daarom zou dat best boekweit kunnen zijn.