Nog eens boter, kaas en eieren; Het verdrag van Maastricht is niet de wet van Mozes

Ook zonder het Deense en het Franse referendum zou er in Nederland iets van een gedachtenwisseling zijn geweest over nut en onnut van de Europese eenwording.

Bolkestein die zich heeft ontpopt als toonzetter van onverwachte brede maatschappelijke discussies, had de Europese gedachte al geattaqueerd toen het Haagse voorzitterschap nog worstelde met de aanloop naar de top in Maastricht van eind vorig jaar. Deze politicus die zich in dienst van een multinational over de grenzen heen heeft georiënteerd, is als één van de eersten komen pleiten voor behoud van het vaderlandse cultuurgoed en tegen internationale aantasting daarvan. Het dragen van oogkleppen kan Bolkestein niet worden aangewreven. Wellicht is het andersom. Buitengaats wordt het binnendijkse soms alleen maar mooier.

Maar Bolkestein had niet de "laptops' in beweging gebracht, als de Denen niet met hun "neen' het verdrag van Maastricht ernstig hadden beschadigd en de Franse president niet vervolgens voor de verleiding was bezweken om met de overeenkomst een gokje te wagen tot herstel van zijn eigen populariteit. Deze feiten hebben de sluizen waarachter emotie en bespraaktheid de boezems vullen, op een kier gezet. Eindelijk, zo heette het, moest nu eens het debat worden gevoerd waaraan het in Europa, en zeker in Nederland, zo lang had ontbroken. Alsof Margaret Thatcher nimmer haar Brugse rede had uitgesproken, worden sindsdien wezenlijke en vermeende feilen van het zich verenigende Europa ontdekt en uitgestald voor een publieke opinie die op die manier tot het inzicht moet worden gebracht jarenlang bij de neus te zijn genomen.

Van een echte discussie is het in Nederland overigens niet gekomen. Twee oorzaken kunnen daarvoor worden aangewezen. De kritiek spiegelt zich aan de methodiek van het kleiduivenschieten waar deze zich moet richten op een zeer vluchtig doelwit, de traditionele elite van voorstanders van een gestage beweging in de richting van een verenigd Europa - een elite die zich in Frankrijk stevig heeft geroerd - geeft de voorkeur aan stilzwijgen. Mogelijk likt zij nog de wonden, door de partners toegebracht op die beruchte zwarte maandag van een jaar geleden. De conclusie mag zijn dat er vergeleken met eerdere opwindende perioden in de geschiedenis van de Europese integratie niet veel is veranderd: Nederland kijkt toe en wacht af wat er elders uit de bus komt.

Het is niet eenvoudig om vanuit iets zo onbestemds als de vaderlandse delta een omlijnd oordeel te vellen over de verhouding tot iets zo ongrijpbaars als het Europa van na de Muur. Het beeld van die ondanks alle technologische vindingrijkheid onbeheersbare delta dringt zich inderdaad op als projectie van het verschijnsel Europa op Nederlandse maat. Leidt bijvoorbeeld de strijd voor het behoud van Nederland tot verzet tegen Betuwelijn, TGV en groot-Schiphol, tegen de verkoop van Fokker en tegen de aanschaf van Japanse elektronika en Amerikaanse "soap'? Het rijtje toont in zijn diversiviteit al de onmogelijkheid aan van plaatsbepaling want het bundelt het groene ideaal, de industriële autonomie en het consumentisme op een onbruikbare noemer. Of iets anders: verwijzen de herdenking van de vierde en de viering van de vijfde mei uitsluitend naar nationale zelfbevestiging of toch ook naar de onderlinge afhankelijkheid van vrijheids- en vredelievende naties? Was het niet in 1672 dat het vaderland voor het laatst zelfstandig het eigen voortbestaan verzekerde?

De mond vol tanden die het Nederlandse Europa-debat meer dan wat anders bepaalt, mag daarom niet al te zwaar worden aangerekend. Voorzover het in het verleden is gevoerd, ging het vaker om de export van tomaten dan de internationale zeggingskracht van de eigen filmindustrie, eerder om voortzetting van de communautaire rekenkunst die de rijke Nederlandse boer nog rijker maakte dan om de Europese en (ondanks Pronk) internationale solidariteit, soms meer om de afscherming van de nationale markt dan om de schepping van die ene binnenmarkt die in het betrekkelijk korte bestaan van de Europese integratie al twee maal beloofd werd. Buitenlandse methoden worden achter de Nederlandse zeewering niet op prijs gesteld, zoals een grote uitgever tot zijn nadeel moest ervaren. De kerk in het midden laten, daar gaat het om.

Voorzover er vroeger van substantiële kritiek vanuit Nederland op Europa sprake is geweest, kwam die uit socialistische hoek. In navolging van Labour maar zonder de scherpe Britse kantjes was het voor de linkerzijde vele jaren lang verleidelijk om de Gemeenschap als een kapitalistische samenzwering tegen de werkende mens te karakteriseren. Het mooie van de internationale samenwerking dreigde in die wijze van zien te worden besmeurd door een ongebreideld ondernemersegoïsme. De ronde tafel van Europese ondernemers waaraan in de jaren tachtig een nieuw Europees elan ontstond, scheen dat oordeel te bevestigen, maar toen was over de hele politieke linie de zwenking naar pragmatische maatschappijkritiek al ingezet. De sociale paragraaf van Maastricht mag voor de Tories en voor Bolkestein onverteerbaar zijn, voor gemiddeld Europees links is hij voorlopig voldoende.

Het is bovendien nog maar de vraag of het nieuwe verwijt aan "Brussel' van onbeteugelde en overbodige regellust minder modieus is dan het anti-ondernemendenken van de jaren zeventig. Het past weliswaar in een tijd van inhakken op het Medusa-hoofd van de sociale verzorgingsstaat, maar de Brusselse ambtenarij is amper in staat de naleving van Europese regels af te dwingen. Vraag het aan Hollandse vissers en Italiaanse boeren. Om de onaantastbaarheid van de lusthof van ondernemersafspraken maar onbesproken te laten. "Big brother' is niet meer dan een schaduwtruuk op het behang van de politieke opportuniteit.

Als aan de ingewandschouwers van het opinie-onderzoek geloof moet worden gehecht, zijn Nederlanders en Japanners zo ongeveer de trouwste Europeanen ter wereld. Als ik pertinente bezwaren had tegen de Europese gang van zaken, zou ik me over die berekeningen niet al te druk maken. Japanners en Nederlanders hebben waarschijnlijk evenveel invloed op de toekomst van Europa, misschien de Nederlanders iets minder. Maar de politicus die zijn dagelijkse bezigheden laat bepalen door "polls' en "issues' zou die uitslag te denken kunnen geven. Het is dus niet helemaal zeker of zijn bezweringen de zinnen van het volk weten te begoochelen. In ondefinieerbaarheid zou Nederland het toch nog van Europa kunnen winnen.

Het verdrag van Maastricht is niet de wet van Mozes en het behoeft ook niet zo lang mee te gaan. Wel is het een poging om een Europa waarvan het geografisch midden in het Westen van de Oekraïne heet te liggen en waarin het politieke zwaartepunt zoek is geraakt, weer tot een hanteerbaar politiek en economisch begrip te smeden. Op die poging is veel af te dingen, voor een deel omdat ze te timide is, voor een deel omdat de opdracht te zwaar is gebleken. Maar het alternatief is niet de intimiteit van een vaderlands gezelschapsspel.

Het verdrag van Rome van 1958 raakte uitgeput door de gebeurtenissen van 1989. Na Rome kwam Berlijn en na Berlijn Maastricht. Daar is niets toevalligs aan.