MEPPENDE MANNEN

R. Römkens. Gewoon geweld? Promotie Univ. v. Amsterdam, 29 juni 1992. Amsterdam/Lisse, Swets en Zeitlinger, 281 blz. Promotores prof.dr. G.J. Mellenbergh en prof.dr.ir. C.J. Weeda.

De dramatische uitkomsten van het onderzoek van Nel Draijer een paar jaar geleden naar de gevolgen op lange termijn van seksueel misbruik van meisjes door verwanten overschaduwden de uitkomsten van een kort daarna gepubliceerd, maar in veel opzichten zeer vergelijkbaar onderzoek van Renée Römkens naar geweld tegen vrouwen in heteroseksuele relaties. Wat Römkens vond, was zeker niet minder akelig, maar de maatschappelijke belangstelling richtte zich aan het eind van de jaren tachtig meer op incest dan op de potentiële cliëntèle van een Blijf van m'n lijf-huis. Dat was toch meer het thema van het eind van de jaren zeventig.

Net als Nel Draijer in 1990 ("Seksuele traumatisering in de jeugd') heeft nu ook Renée Römkens haar onderzoek uitgewerkt en verdiept in een proefschrift. De onderzoeken leken qua opzet en thema op elkaar, de proefschriften lijken ook op elkaar en, niet helemaal onverwacht, gaan zelfs voor een deel over dezelfde problemen en dezelfde mensen. De beide studies vullen elkaar aan, maar ze bevestigen en versterken elkaar ook. Het geweld dat mannen in hun directe huiselijke omgeving uitoefenen, wordt er niet begrijpelijker door, maar wel inzichtelijker. We weten nu hoe vaak het voorkomt, in welke vormen en in welke situaties. We weten wat de gevolgen zijn voor de slachtoffers en vooral ook dat wat we erover dachten te weten, nauwelijks overeenstemt met de werkelijkheid.

Toch, met de kennis neemt de verbijstering toe. Het is een soort evolutionaire verbijstering, de schok van een blik over het balkon van de civilisatie. Het blijft immers moeilijk je voor te stellen dat één op de vijf vrouwen tussen de 20 en 60 jaar ooit "eenzijdig geweld' van de echtgenoot of vriend heeft ondergaan en één op de 16 vrouwen zelfs ernstig tot zeer ernstig geweld. Onder "ernstig' wordt dan gerekend schoppen of hard slaan, onder "zeer ernstig' het gebruik van een mes, het slaan met een stok, of een poging tot verkrachting.

Naarmate het geweld van de man ernstiger vormen aanneemt, wordt het meestal ook langduriger en vaker toegepast en is de kans op herhaald of blijvend lichamelijk letsel ook groter. 7% van alle volwassen vrouwen heeft ooit door toedoen van de partner een hersenschudding, een ontwrichting, brandwonden een miskraam of een blijvende stoornis of handicap opgelopen. Er zijn vrouwen die ook zelf geweld toepassen of terugslaan als ze geslagen worden, maar hun aantal is in vergelijking tot de gewelddadige mannen zeer gering en het gaat vrijwel uitsluitend om incidenteel en licht geweld, dat niet tot letsel leidt.

In een onderzoek dat helemaal gewijd is aan geweld in relaties, dreigt natuurlijk altijd het gevaar van blikvernauwing. In de overgrote meerderheid van de partnerrelaties is geen sprake van enigerlei vorm van gebruik van geweld tussen de partners, maar in een kleine minderheid van de relaties - misschien zo'n 5 tot 10% - is geweld een min of meer regelmatig terugkerend fenomeen. Het gebruik van geweld is bovendien zeer seksespecifiek: de daders zijn mannen, de slachtoffers vrouwen.

Er bestaat over het gebruik van geweld in relaties eenzelfde vooroordeel als ten aanzien van seksueel misbruik of incest: het zou vooral voorkomen in de lagere sociale klassen. In geen van beide gevallen blijkt dit te kloppen. Renée Römkens vond nauwelijks enig verband tussen sociale klasse en het gebruik van geweld, wel tussen alcoholmisbruik (van de man) en geweld en ook tussen seksueel misbruik en geweld. Een man die slaat, is vaak ook een man die zijn vrouw tot seksuele omgang dwingt, is meestal ook een extreem jaloerse man met een zeer grote behoefte om het leven van zijn vrouw helemaal te beheersen en te overheersen. Enkele vrouwen in het onderzoek bleken thuis in een soort Sarajevo te leven: ze voelden zich constant bedreigd door hun eigen man en vreesden elk moment opnieuw het doelwit van zijn agressie te worden.

De onderzoekers hebben tijdens de interviews zelden of nooit de indruk gekregen dat de respondenten de zaak aandikten, eerder was het omgekeerde het geval. Voor de meeste vrouwen was het moeilijk en pijnlijk over zulke nare en vernederende zaken te moeten praten en men voelde zich ook al gauw schuldig tegenover de partner, alsof hij werd verraden. Opvallend was dan ook dat veel vrouwen met ernstige en herhaalde geweldservaringen aangaven dat het nu "gestopt' was of dat de echt erge dingen toch lang terug lagen. Van ex-partners werd geweld ook eerder toegegeven dan van de huidige partners - bijna de helft van de ex-partners zou minstens ooit geweld gebruikt hebben - en voor bijna 20% van de gescheiden vrouwen was geweld de belangrijkste of een belangrijke reden om te scheiden.

Hoewel onderzoekers van geweld in relaties al eerder met verbazing hebben vastgesteld, dat vrouwen ondanks soms ernstig geweld toch lang gebonden blijven aan hun partner en er na een eerste scheiding vaak ook weer naar terugkeren, blijkt uit het onderzoek van Renée Römkens toch duidelijk dat vrouwen niet zomaar passief of hulpeloos op geweld reageren. In veel gevallen doen ze hun uiterste best om geen aanleiding te geven en proberen op die manier nieuw geweld te vermijden. Als er toch geweld gebruikt wordt, proberen ze zich zo stil mogelijk te houden, de man te kalmeren of te vluchten. Een minderheid verdedigt zich daadwerkelijk of roept om hulp. Dat laatste gebeurt toch weinig, omdat de meeste vrouwen proberen het geweld zo goed mogelijk voor de buitenwereld verborgen te houden. Hoe ernstiger het geweld, hoe nadrukkelijker de pogingen tot geheimhouding.

De psychische gevolgen van geweld zijn meestal erger en blijvender dan de lichamelijke. De vernedering van het geslagen of geschopt te worden, de krenking van het vaak heftige schelden, de angst voor de herhaling, het gevoel niets goed te doen of absoluut geen eigen leven meer te hebben, de miskenning van de eigen seksualiteit, de minachting voor de eigen persoon ondermijnen het zelfgevoel van de vrouw, maken haar angstig en depressief. Dat wordt nog versterkt door de houding van de partner na het geweld: de meeste mannen zwijgen erover, geven de vrouw de schuld, ontkennen dat er wat aan de hand was of voelen zich niet verantwoordelijk voor hun eigen gedrag. Maar één op de vier mannen laat iets van spijt merken of biedt zijn excuses aan. De gewelddadige echtgenoot blijkt in de meeste gevallen dus niet alleen een gemene rotzak, maar ook nog een ontzaglijke lul te zijn.

Als ergens de cijfers voor zich spreken, dan is het hier, maar al klinkt in het hele boek de verbijstering door, de toon blijft neutraal en het betoog genuanceerd. Net als in het onderzoek van Nel Draijer is ook hier zeer veel zorg besteed aan de verantwoording, zowel in theoretisch als in methodologisch opzicht. Het eerlijk tonen van de zwakke plekken (het grote aantal weigeringen om aan het onderzoek mee te doen bijvoorbeeld) en het zelf stellen van de lastige vragen maakt het resultaat uiteindelijk alleen maar overtuigender. Het taboe op het spreken over seksueel misbruik of geweld in de "hoeksteen van de samenleving' wordt immers niet effectief doorbroken door het feit zelf te benoemen, maar door het noemen van onontkoombare feiten, door te laten zien dat het taboe misstanden toedekt, die mensen wezenlijk in hun geluk aantasten. Renée Römkens wijst er fijntjes op, dat de gewoonte om over geweld van mannen tegen vrouwen te spreken in termen van een "relatieconflict' - zoals lang gebruikelijk was - een ontkenning inhoudt van wat er gebeurt zowel als van hoe de verhoudingen werkelijk liggen. Het gaat niet om een meningsverschil tussen gelijke partijen, maar om een systematisch gebruik van kracht om een machtsverschil tussen de seksen te bevestigen en te versterken.

Renée Römkens geeft zich ook veel moeite om de psychodynamische, kentheoretische, sociologische en feministische theorieën die er over geweld in relaties van mannen en vrouwen bestaan, op hun houdbaarheid te toetsen. Veel van deze theorieën blijken toch te simplistisch en te beperkt. Het is te gemakkelijk om in geweld tegen vrouwen een door de vrouwen bijna zelf gezochte "revictimisatie' te zien, en herleving van geweld dat men als kind heeft ondergaan, zoals het ook te gemakkelijk is om te veronderstellen dat jongens die in het ouderlijk gezin geweld meemaken zich later als "daders' zullen ontpoppen en meisjes als "slachtoffers'. De feiten wijzen niet of nauwelijks in die richting, zoals er ook weinig aanwijzingen zijn gevonden voor een "subcultuur van geweld', waar een heel andere waardering voor het gebruik van geweld bestaat dan in de normale burgerlijke samenleving. Wat overblijft is de conclusie dat geweld binnen relaties heel duidelijk seksespecifiek is (mannen tegen vrouwen), en dat zich in de seksespecificiteit een ongelijke machtsverhouding uitdrukt. Voor die ongelijkheid is geen sociaal-economische basis (meer), maar er zijn nog wel verbindingen met fundamentele verschillen in socialisatie tussen mannen en vrouwen, die ook kunnen verklaren dat vrouwen zo lang geneigd blijven trouw te zijn aan een partner die hen in alle opzichten geweld aandoet.

Biologische verklaringen spelen bij Renée Römkens geen rol. Ik denk dat het toch niet helemaal zonder kan, als je juist de seksespecificiteit wilt verklaren. De verschillen in socialisatie tussen mannen en vrouwen, zeker op dit niveau, zijn niet willekeurig. Er is tussen de socialisatieverschillen en de biologische verschillen zeker een soort van "Wahlverwandschaft'. Gemiddeld zijn mannen krachtiger dan vrouwen, gemiddeld zijn mannen agressiever dan vrouwen en gemiddeld zijn mannen meer geneigd tot geweld dan vrouwen. Socialisatie kan de verschillen accentueren of verzachten en een samenleving kan bepaalde vormen van agressie in bepaalde situaties meer of minder accepteren, maar die controle is nooit volledig en nooit bij iedereen hetzelfde. Juist het feit dat uit het onderzoek van Renée Römkens blijkt dat sociologische of economische variabelen zo weinig een rol spelen in de seksespecificiteit zelf en in de selectie van de mannen die geweld toepassen, geeft niet alleen aan dat er individuele psychologische variabelen in het spel zijn, maar ook biologische. Dat rechtvaardigt het geweld van deze mannen absoluut niet, net zo min als de "natuur' van de vrouw haar verplicht bij die man te blijven. Het maakt de fatale combinatie van de slaande man en de blijvende vrouw echter wel wat begrijpelijker.

    • Paul Schnabel