Krijgsmacht opleiden voor vredestaken; Geen Nederlanders in permanent VN-leger

DEN HAAG, 17 SEPT. De regering wil geen Nederlandse troepen beschikbaar stellen voor een permanent VN-leger. Dat staat in een notitie, die mogelijk vandaag nog naar de Tweede Kamer gaat en die gisteren in de rijksministerraad is vastgesteld.

Het kabinet schrijft dat een permanent VN-leger “onder de huidige omstandigheden minder doeltreffend is, gezien het feit dat elke VN-operatie in aard, omvang, duur en mandaat verschilt”. Het kabinet laat het liever bij de uitspraak, dat in principe alle Nederlandse strijdkrachtonderdelen beschikbaar zijn voor VN-taken.

De krijgsmacht, zo staat er, zal daarbij beter moeten worden voorbereid op vredesoperaties. Kabinet en Kamer kunnen dan van geval tot geval bekijken welke bijdrage men wil leveren.

De keuze tegen deelname aan een "standing UN-force' door het kabinet lag niet onmiddellijk voor de hand. Minister Pronk van ontwikkelingssamenwerking heeft zich onlangs nog, naar aanleiding van de catastrofe in Somalië, positief uitgelaten over een dergelijke strijdmacht ter beschikking van de secretaris-generaal en de Veiligheidsraad. Ook de Adviesraad Vrede en Veiligheid heeft onlangs gepleit voor direct oproepbare, speciale VN-eenheden.

In de notitie aan de Kamer, getiteld "De Verenigde Naties in een Veranderende Wereld' wordt nog een andere keuze gemaakt. Bij het voorkomen van conflicten wordt duidelijk de voorkeur gegeven aan preventieve diplomatie, onderzoeks- en observatiemissies boven militaire middelen. Daarbij moeten regionale organisaties als de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa (CVSE), de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) en de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid (OAE) meer worden ingeschakeld om conflicten in de eigen regio op te lossen.

In de notitie aan de Kamer wordt géén duidelijke keuze bepaald over uitbreiding van het aantal permanente leden van de Veiligheidsraad. Op dit moment is sprake van een gebrek aan representativiteit, maar een verandering daarvan door middel van uitbreiding mag beslist niet ten koste gaan van de nieuw verworven effectiviteit. Indien echter besloten wordt tot uitbreiding van het aantal permanente leden dan komen Duitsland, Japan en toonaangevende landen uit de derde wereld daarvoor in aanmerking. Een mogelijke tussenvorm is deze landen als semi-permanente leden aan te merken, zonder het vetorecht dat de huidige permanente vijf (Rusland, Amerika, China, Frankrijk, Engeland) wel hebben.