Het oudste woonhuis van Nederland

"Niet alleen hebben we nu de complete bouwgeschiedenis van het oudste stenen woonhuis van Nederland kunnen reconstrueren, maar we hebben ook een heel nieuw inzicht gekregen in de vroegste ontwikkeling van Deventer als stad', aldus drs.ing. Dirk de Vries, bouwhistoricus bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg in Zeist. De Vries is namens deze organisatie betrokken bij het onderzoek en de restauratie van het woonhuis aan de Sandrasteeg no. 8 in Deventer.

Voor de "leek' lijkt dit vlak achter de grote- of Libunuskerk gelegen huis met zijn 17de eeuwse gevel aan de zijde van de Proosdijpassage, nauwelijks af te wijken van de vele monumentale panden in Deventer. Totdat men bij de voordeur, die in de lange kant in de Sandrasteeg ligt, de blik omhoog laat gaan. Dan ontwaart men de restanten van een tweetal Romaanse raambogen en vervolgens valt het oog op de wel heel grote blokken natuursteen waarmee de zijgevel is opgetrokken.

""Door de tufsteenblokken en de raambogen aan de bovenzijde wisten we al dat dit huis oud moest zijn. In ieder geval van circa 1250. Tot die tijd werd namelijk gemporteerd natuursteen, tufsteen of trachiet gebruikt bij de bouw. Het gebruik van lokaal vervaardigde baksteen dateert pas van na die tijd'', zegt Dirk de Vries. ""Binnen in het pand waren nog een paar andere direct zichtbare aanwijzingen te vinden die met deze datering "ante quem' correspondeerden. De belangrijkste daarvan was nog wel dat een zuiltje aan de binnenkant van een Romaans tweelicht venster (een boograam gescheiden door een zuiltje) op de tweede verdieping, vervaardigd was van het zogenaamde aquaductmarmer.''

Aquaductmarmer

Aquaductmarmer is een sedimentgesteente met op marmer lijkende eigenschappen. Dit materiaal werd in de vroege Middeleeuwen gebruikt voor de vervaardiging van zuilen en vloeren in kerken en in de woonhuizen van de economische bovenlaag (veelal kerkelijke functionarissen). Het werd gewonnen in de restanten van de Romeinse waterleidingen in Zuid- en Midden-Duitsland. Het Eifelwater dat gedurende twee eeuwen door de Romeinen werd gebruikt was zo rijk aan kalk dat er op de bodem van de leidingen een laag werd afgezet die soms wel een dikte van een halve meter had. Nadat het hele Romeinse waterleidingsysteem, dat in Duitsland meer dan 300 kilometer buizen en aquaducten bevatte, in onbruik was geraakt werd dit versteende bezinksel door de lokale bevolking als kostbaar bouwmateriaal gebruikt.

Tot aan het midden van de 14de eeuw was aquaductmarmer in heel West-Europa populair, daarna raakte de voorraad snel uitgeput. Bovendien kwamen rond die tijd ook echt marmer en andere duurdere steensoorten in voldoende mate ter beschikking. ""Het pand stamde dus sowieso van voor 1250 maar hoe oud het precies was dat wilden we dolgraag weten, maar voor grondig onderzoek was nooit ruimte'', aldus Jan van der Laar van de gemeentelijke dienst monumentenzorg. ""Het pand was gewoon bewoond.''

Maar niet alleen de vermeende hoge ouderdom, ook de ligging binnen het gebied dat algemeen als het oudste deel van de stad Deventer wordt beschouwd, maakte dat archeologen en bouwhistorici al heel lang hoopten op een gelegenheid om dit pand aan een nader onderzoek te onderwerpen. Toen de NV Bergkwartier, de stichting die zich in Deventer inzet voor behoud en restauratie van historische panden, het begin van dit jaar daartoe in de gelegenheid stelde werd deze kans dan ook met beide handen aangegrepen.

Stuclagen

Een van de eerste dingen die daarbij opviel was dat de vloer van de centrale hal een stuk lager lag dan de vloer van de rest van het huis. Dat scheelde bijna een meter. Verder constateerde men ook direct een aantal opvallende elementen in de doorgang naar het achterhuis. En nog groter werd de verbazing toen men bij het verwijderen van de latere stuclagen plotseling op een ruim 60 centimeter hoge en ruim anderhalve meter dikke Romaanse boogconstructie stuitte. Wat bleek: het deel van dit huis dat nu de centrale hal vormt is onderdeel van een vroeg Middeleeuws poortgebouw.

En toen de vloer van de hal, door de ook bij het onderzoek ingeschakelde archeologen, werd verwijderd bereikten zij al na een centimeter of wat het niveau van de originele Midddeleeuwse weg. Deze nu "herontdekte' onderdoorgang gaf toegang tot het oudste kerkelijke gebied. Dit terrein, waar de Li- bunuskerk al stond en waarbinnen de kanunniken woonden, vormde het centrum van de Middeleeuwse stad. Van de poort is de doorgang aan de voorzijde geheel verdwenen, maar de doorgang aan de achterzijde, de veldzijde, is in het huis nog duidelijk aanwezig.

Jaarringen

Omdat op de bovenverdieping ook nog een aantal balken werden teruggevonden die afkomstig waren van de originele vloerconstructie, zei het niet op de originele plaats omdat ze bij een latere verbouwing hergebruikt waren, kon met behulp van dendrogonologie (een zeer nauwkeurige manier om middels de vergelijkingen van de jaarringen de exacte ouderdom van het gebruikte hout vast te stellen) het jaartal worden bepaald waarin deze poort en de daarboven gelegen verdiepingen, moeten zijn gebouwd.

De Vries: ""De balk die we onderzocht hebben is afkomstig van een boom die geveld is in het jaar 1130, en omdat we weten dat in dit tijd het hout meestal binnen een jaar werd gebruikt moet dit poortgebouw ook uit datzelfde jaar stammen.''

Deze datering werd nog eens bevestigd door de vondst van scherven uit diezelfde periode. Die werden aangetroffen op het toenmalige straatniveau en lager. En daarmee is dit huis niet alleen het alleroudste stenen woongebouw in Nederland, deze positie werd tot dan toe ingenomen door een pand in Utrecht dat dateerde uit het begin van de 13de eeuw, het is tevens een van de oudste poortgebouwen van ons land. Alleen de Helpoort in Maastricht (1050) en delen van de Nobelpoort in Zierikzee (1100) zijn ouder.

Het poortgebouw, met de daarboven gelegen verdiepingen had in oorsprong een verdedigingsfunctie. Dat blijkt uit het gebruik van de dikke blokken van gebosseerde trachietsteen en de zware muren. Een dergelijke manier van bouwen kent men verder alleen van burchten en kastelen. Het poortgebouw had verder een getrapte opbouw. Dat wil zeggen dat er sprongen in de gevel zaten van telkens tien centimeter. De eerste daarvan bevindt zich op circa 50 centimeter onder het huidige straatniveau. Deze eerste versmalling is aan de binnenkant nu opnieuw zichtbaar geworden. De tweede sprong is ook aan de buitenkant nog zichtbaar. Hij bevindt zich op circa vier meter boven de straat.

De Vries: ""Het aardige is dat we dergelijke oude poorten vrijwel alleen uit de beschrijvingen kenden. Nu hebben we er één waarvan een groot deel nog staat. Alleen verpakt in allerlei latere aan- en uitbouwsels waardoor hij al die tijd onzichtbaar is gebleven.''

De vondst van deze stadspoort geeft ook een heel nieuw beeld van de ontwikkeling van Deventer. Men weet nu namelijk voor het eerst waar de oudste toegang tot het kerkelijke en bestuurlijke gebied heeft gelegen. En wanneer dat op de kaart van de huidige stad geprojecteerd wordt dan blijkt dat het stratenpatroon nog steeds daarop aansluit. De Schriksteeg ligt in het verlengde van de as van de poort en de Bruinsteeg en het gedeelte van de Sandrasteeg dat nu naar rechts loopt, lopen parallel aan wat de veldzijde van de poort vormde.

De Vries: ""Jammer genoeg hebben we nog niets terug kunnen vinden van de muur of aarden wal waarin het poortgebouw moet zijn opgenomen geweest. Daarnaar zal in de komende periode nader archeologisch onderzoek plaatsvinden.''

Stadsuitleg

Overigens heeft deze poort al vrij snel zijn functie verloren. Eerst werd er aan de veldzijde een kleine uitbouw tegen aangezet. Dat wijst erop dat toen, rond het einde van de 12de eeuw, de verdediging van de poort niet langer noodzakelijk was omdat het door de eerste grote stadsuitleg een veel centralere plaats in de stad had gekregen. En daarna, nog geen eeuw na de bouw, verliest het zelfs zijn doorgang. Er wordt aan de achterzjde een kapel tegen aangebouwd. De plek waar het altaar heeft gestaan is door de archeologen tijdens het onderzoek overigens vastgesteld. Al die verbouwingen, zo bleek tijdens het onderzoek, lopen synchroon met de ontwikkelingen van het Middeleeuwse Deventer.

In de loop der eeuwen volgen de verbouwingen en veranderingen elkaar in snel tempo op. Het pand werd ietsje lager, breder en langer en aan de kant van de Stromarkt wordt er in de 17de eeuw een geheel nieuw stuk aangebouwd. De laatste grote ingreep, het vervangen van de, deels nog uit de Middeleeuwen daterende, spiltrap door een nieuwe steektrap, dateert uit het begin van deze eeuw.

    • Joost Vermeulen