Geen testje maar reorganisatie van hele school; Leerlingvolgsysteem

Steeds meer basisscholen gebruiken een leerlingvolgsysteem. Maar er is veel kaf onder het koren.

De Paulusschool in Amsterdam is een basisschool met hoofdzakelijk allochtone leerlingen. Drie jaar geleden scoorden de meeste leerlingen nog bedroevend bij lezen en spellen. Maar tegenwoordig kunnen de leerlingen landelijk gezien aardig meekomen.

De school dankt deze vorderingen aan het leerlingvolgsysteem dat in 1989 is ingevoerd. Bij een leerlingvolgsysteem gaat de onderwijzer tweemaal per jaar door middel van toetsen de vorderingen van zijn leerlingen na, als aanvulling op de dagelijkse beurten, opdrachten en observaties. Bij tegenvallende resultaten analyseert hij welk deel van de stof het kind niet beheerst. Scoort het onvoldoende bij spelling, dan kan het zijn dat het niet alle letters kent, dat het de klanken niet in schriftvorm kan omzetten, dat het dt-fouten maakt of dat het problemen heeft met open lettergrepen. Op basis van de analyse wordt een hulpprogramma opgesteld.

Leerlingvolgsystemen zijn een nieuw, zich snel verspreidend verschijnsel in het basisonderwijs. Het woord dook in 1986 voor het eerst op in twee rapporten van de ARBO, de voormalige adviesraad voor het basisonderwijs. In 1990 waren er al vijftig verschillende leerlingvolgsystemen in omloop.

Door extra aandacht voor zwakke leerlingen proberen scholen verwijzingen naar het speciaal onderwijs te voorkomen. Daarvoor is het nodig systematisch de vorderingen van alle leerlingen bij te houden, zodat bij achterblijvende prestaties tijdig hulp kan worden geboden.

Volgens Paul Gillijns, wetenschappelijk medewerker bij de ”bedrijfsgroep leerlingvolgsysteem' van het CITO, verdient het gros van de systemen die inmiddels op de markt zijn niet de naam leerlingvolgsysteem. Daarbij gaat het vooral om produkten die door softwarebedrijven op de markt zijn gebracht: ””Dat zijn pure registratiesystemen. Ze leggen de resultaten vast en daar blijft het bij. Zulke systemen geven de onderwijzer geen aanwijzingen over waar het fout gaat en wat voor hulp je kunt geven.''

Het CITO is in 1987 begonnen met de ontwikkeling van een leerlingvolgsysteem. Het project moet in 1996 zijn afgerond. Er zijn nu pakketten beschikbaar voor spelling, woordenschat, technisch en begrijpend lezen, rekenen en luisteren, maar alleen voor groep drie en vier. Al deze pakketten moeten dus nog worden uitgebreid. Daarnaast moet er nog materiaal worden ontwikkeld voor de vakken wereldoriëntatie en informatieverwerking. Ook is er een softwarepakket in de maak waarmee de resultaten automatisch kunnen worden verwerkt.

Een sterk punt van het CITO-volgsysteem zijn de toetsen. Ze bieden de mogelijkheid om na te gaan of de kinderen er ten opzichte van vorige metingen op vooruit zijn gegaan, en ook hoe ze het doen in vergelijking met het landelijk gemiddelde. Een nieuwe meettechniek maakt het mogelijk scores op verschillende toetsen naar eenzelfde meetschaal om te zetten, zodat ze vergelijkbaar worden. Ook kunnen de gegevens van opeenvolgende metingen in grafiekjes worden vastgelegd.

27 deelstapjes

Een van de meest gebruikte leerlingvolgsystemen is Savu. Ook in het Savu-systeem wordt het onderwijs bij de analyse betrokken. ””Een leerlingvolgsysteem mag niet alleen naar het kind of alleen naar het onderwijs kijken'', zegt Gerard Melis van de Dienst Onderwijsbegeleiding in Eindhoven, die het systeem heeft ontwikkeld. ””Je moet ze in relatie tot elkaar analyseren. Pas dan kun je conclusies trekken.''

In de handleiding van Savu wordt in 27 deelstapjes aangegeven hoe de onderwijzer gegevens over de vorderingen van zijn leerlingen kan verzamelen en hoe hij die kan gebruiken om het onderwijs te verbeteren. Melis: ””Als je inventariseert wat scholen doen, blijkt dat ze al veel van die 27 deelstappen uitvoeren. Alleen moet het hier en daar beter worden gestructureerd.''

Het CITO en de uitgever van Savu, het Christelijk Pedagogisch Studiecentrum in Hoevelaken, zijn bezig om de twee systemen tot één samen te voegen. Alle toetsen die het CITO uitbrengt, zijn in het Savu-systeem bruikbaar. De Savu-handleiding wordt in september door een nieuwe vervangen, waarin van de integratie van de twee systemen wordt uitgegaan.

Maar veel basisscholen kiezen ervoor hun eigen volgsysteem te ontwikkelen. Dat heeft ook de Paulusschool gedaan. Het nadeel van een kant-en-klaar systeem is dat het niet altijd aansluit bij dat waarmee onderwijzers in hun les bezig zijn, vindt Frans van den Hemel van de Paulusschool. ””Elke school heeft een andere populatie en dus andere problemen. Omdat wij veel allochtone leerlingen met een taalachterstand hebben, geven we extra aandacht aan de basisvakken: woordenschat, zinsvorming, spelling, lezen en rekenen. Daar zoek je geschikte toetsen bij, deels CITO-toetsen, maar ook toetsen van anderen.''

De Paulusschool heeft zich ten doel gesteld leerlingen minimaal naar LBO of MAVO door te laten stromen. Per groep en per leerstofgebied is vastgesteld welk niveau wordt nagestreefd, waarbij de school van landelijke normen uitgaat. De school is begonnen de vorderingen bij het technisch lezen systematisch bij te houden. Vandaaruit is het systeem uitgebreid en nu omvat het alle vakken, op aardrijkskunde en geschiedenis na, die het komend schooljaar in het systeem worden opgenomen. Voor elk onderdeel worden per kind en per groep staatjes gemaakt, en ook voor de hele schoolpopulatie worden de vorderingen bijgehouden.

Volgens Van den Hemel moet over de invoering van een leerlingvolgsysteem niet lichtvaardig worden gedacht. Het brengt veel extra werk met zich mee, waar toch al overbelaste onderwijzers niet op zitten te wachten. De Paulusschool heeft dat opgelost door een ”zorgbreedteteam' samen te stellen. Het team bestaat uit een ”interne begeleider' en onderwijzers die voor een deel van hun tijd zijn vrijgesteld. Zij nemen de toetsen af, analyseren de gegevens en bespreken die met de betreffende onderwijzer. De hulpprogramma's worden opgezet, worden in de klas uitgevoerd. Leerlingen die ook nog buiten de klas extra hulp nodig hebben, worden door het zorgbreedteteam begeleid.

Een leerlingvolgsysteem kan volgens Van den Hemel alleen goed functioneren als alle onderwijzers eraan mee doen. Ze zijn niet meer alleen verantwoordelijk voor hun eigen groep, maar moeten als team opereren. Dat veronderstelt dat ze bereid zijn tot overleg, niet alleen over de ontwikkeling van hun leerlingen, maar ook over hun eigen rol daarin. ””We streven er daarom naar dat onze onderwijzers om de twee jaar een andere groep en wisselende taken hebben'', zegt directeur Leo Rodenburg. ””Zo komen ze met meer kinderen in aanraking en krijgen ze een beter overzicht. Er onstaat dan vanzelf een andere mentaliteit. Onderwijzers gaan nu eerder bij elkaar te rade als ze ergens tegenaan lopen. De drempel om hulp te zoeken is weg.''