De grote vlinderatlas

Ecologische Atlas van de Dagvlinders van Noordwest Europa. Door drs. F.A. Bink. Schuyt & Co, Haarlem, 1992. Prijs ƒ 125,-. (Tot 23 oktober: ƒ 98,50). 520 pag, 1600 kleurenfoto's. ISBN 9060973186.

Volgende week wordt in Wageningen het feestelijke eerste exemplaar van de Ecologische Atlas van de Dagvlinders van Noordwest Europa aangeboden aan oudmilieuminister Nijpels. ""We hadden eerst Gabor gevraagd,'' zegt auteur drs. F.A. Bink, ""maar die wou niet.''

Daar zal hij nog spijt van krijgen. De atlas is een standaardwerk, zwaar papier, 520 pagina's dik en boordevol verhalen over het geheime leven van de vlinders als gevoelige graadmeters voor een veranderend milieu.

Bioloog Frits Bink (1937) heeft er vijftien jaar aan gewerkt. Hij schreef het verhaal, maakte de foto's en verzamelde een flink deel van de informatie. Hoe lang elke vlinder leeft, wat hij eet, hoeveel eitjes hij legt en hoe snel die uitkomen. Daartoe kweekte hij drie jaar lang rupsen in een grote kas op het DLO-Instituut voor Bos en Natuuronderzoek. De atlas bestrijkt een gebied van Dublin tot Berlijn, van Stockholm tot de Ardennen. Van de 145 besproken vlinders komen er 60 in ons land voor.

Aanleiding voor het projekt vormde de vraag hoe je het beheer van natuurgebieden moet beoordelen. Simpel gezegd: wat kost een terrein aan beheer en wat levert dat op aan bijzondere plantjes en dieren? Traditioneel werd daarbij vooral naar planten en vogels gekeken. Maar een botanicus zit op zijn hurken en de vogelaar richt zijn blik op de horizon. Hun meningen over de kwaliteit van een natuurgebied lopen vaak nogal uiteen en daarom zocht Bink iets "daar tussenin'.

Vlinders hebben het grote voordeel dat ze een heel nauwe relatie met de vegetatie onderhouden, maar toch ook een gebied als landschap gebruiken net zoals vogels dat doen.

Bink had als kind al vlinders gekweekt, in glazen potjes. ""Kijken hoe ze die eitjes legden en hoe daar die rupsen uitkwamen, dat vond ik prachtig.'' Later ging hij bij de NJN: ""Op mijn elfde al, ik was voldoende uit de kluiten gewassen.'' Hij ging biologie studeren en deed onderzoek naar het lot van de grote Vuurvlinder in Noordwest-Europa. Na drie jaar in Tsjaad kwam hij in 1974 bij het toenmalige RIN in Leersum. Vorig jaar fuseerde het RIN met het Wageningse bosbouwinstituut "de Dorschkamp' en sinds december zit Bink dan ook, als een kat in een vreemd pakhuis, in de nieuwbouw op de Wageningse Berg.

Hij pakt zijn papieren erbij. ""Kijk, in ons projekt konden de vlinders punten scoren op tien verschillende eigenschappen, zoals trekgedrag, oriëntatie en voortplantingsvermogen, groeisnelheid van de rupsen, overwinteringswijze en verdediging tegen wisselvallig weer en vijanden zoals vogels.''

De vlinders zijn ingedeeld in 14 biologische groepen, die vooral in overwinteringsstrategie blijken te verschillen. Om het over te brengen aan een breed publiek zijn daar vijf hoofdgroepen van gemaakt.

Reislustig

Om te beginnen zijn er de nomaden, reislustige vlinders, waaronder bekenden als Atalanta, Groot koolwitje en Kleine vos. Deze nomaden leggen dagelijks onwaarschijnlijk grote afstanden af, tot 150 kilometer per dag. De Atalanta overwintert zelfs in het Middellandse Zeegebied. ""Bij tegenwind vliegt hij laag bij de grond en als hij wind mee heeft zo hoog mogelijk'', zegt Bink.

Ook hun voortplantingsvermogen is formidabel. Eén koolwitje legt in drie weken tijd 1400 eitjes.

Dan is er de groep van de gewieksten. Bosbewoners als citroenvlinder, eikepage en kleine ijsvogelvlinder hebben zich toegelegd op het ontwijken of afweren van insektenetende vogels.

Tot de geharden, die zich staande houden onder barre omstandigheden, behoort de heivlinder. Als rups neemt hij genoegen met een schrale vegetatie. Een trage, bedachtzame kauwer, die pas na 120 dagen volwassen is. Dit in tegenstelling tot een krachtpatser als de Atalantarups die voedzame brandnetels opzoekt en al na drie weken volgroeid is. Maar de heivlinder is bestand tegen de extreme dagelijkse temperatuurschommelingen in het heidelandschap, waar het kwik overdag tot vijftig graden kan oplopen, terwijl er 's nachts al weer nachtvorst aan de grond is.

Extreme specialisten behoren tot de groep der gefixeerden. Zo is het lot van het pimpernelblauwtje helemaal verweven met dat van zijn waardplant, de pimpernel, en bovendien met dat van bepaalde mieren die de rups verzorgen en helpen overwinteren. Pimpernelblauwtje, gentiaanblauwtje, dwergblauwtje en andere gefixeerde soorten hebben een klein leefgebied. Sterven ze uit, dan keren ze niet vanzelf terug.

En dan is er nog de restgroep van soorten die nergens in te delen zijn, de vlinders zonder enige in het oog lopende vaardigheden. Hiertoe behoren het spiegeldikkopje, het veenbesblauwtje en het zilverstreephooibeestje, bewoners van veilige, rustige, stabiele biotopen. Hun lot is tegenwoordig even somber als dat van de gefixeerden en daarom is deze groep aangeduid als de kwetsbaren: ze sterven bij bosjes uit.

Bruikbaar

Als het klopt dat je aan de vlinderstand kunt aflezen hoe het er voor staat met de natuur, dan ziet het er somber uit. Oorspronkelijk zat Nederland in verhouding tot het landoppervlak tamelijk goed in zijn vlinders, in de loop van deze eeuw zijn 102 vlindersoorten in ons land gezien, 74 daarvan hoorden hier thuis. Daarvan zijn er nog maar 60 over. Bink heeft ze zien verdwijnen.

In het cultuurland leven nu nog zo'n 12 tot 20 algemene "tuinvlinders', een achttal andere soorten is te vinden langs wegbermen en dijken vinden we nog eens acht soorten. Alle overige vlinders leven alleen nog in natuurgebieden en gemiddeld sterft er eens per jaar weer een soort uit. ""Maar op den duur houdt dat uitsterven vanzelf op'', zegt Bink. ""Ongeacht of we nu wel of niet goed voor de natuur zorgen zullen er aan gewieksten en nomaden zeker 40 soorten overblijven.''