De essentie van de koekepan

Quintessens, tot en met 18 oktober in Museum Boymans-van Beuningen Rotterdam. Catalogus 86 blz, ƒ 42,50

Het blijft iets overrompelends houden om oude potten en pannen ten toon gesteld te zien in een kunstmuseum als Boymans-van Beuningen. Anderhalf jaar geleden werd daar een prachtige collectie pre-industriële gebruiksvoorwerpen, de collectie Van Beuningen-de Vriese, ondergebracht in een nieuw paviljoen in het hart van het museum. En al mag in deze tijd de vraag is het wel kunst? wel de meest ongepaste zijn geworden die denkbaar is, toch is duidelijk dat het museum met dat oude vaatwerk, dat zelfs onder de term kunstnijverheid niet goed te vangen is, een beetje in zijn maag zit.

Het eerste streven is daarom geweest het kook- en eetgerei in Boymans zo ”koel' mogelijk te presenteren, vooral niet in een sfeer van nostalgieverwekkende keukeninterieurs. Maar de honderden primitieve aardewerken kruiken, kommen en schotels blijven heel andere - warmere - gevoelens oproepen dan het kostbare Sèvres-porselein, de Cobra-schilderijen of de pretentieuze rommelhopen van Carel Visser elders in het gebouw. Die huiselijke voorwerpen zijn nu eenmaal nooit voorbehouden geweest aan ”kenners', maar waren in ieder huishouden te vinden. Overal moet immers worden gekookt en gebakken, gegeten en bewaard, gewassen en uitgelekt.

De tijdelijke tentoonstelling Quintessens, op de bovenverdieping van het Paviljoen Van Beuningen-De Vriese, is een poging om ”iets te doen' met de potten- en pannencollectie. De tentoonstelling moet de functie en de gedaanten van allerlei kookgerei door de tijden heen verduidelijken. Het gaat hierbij vooral om het holle vaatwerk. Wat is de essentie van een ketel, een koekepan, een kookpot? Uit de vaste collectie, die de periode 1150 tot 1800 beslaat, werden voorbeelden gelicht en apart gezet, terwijl er uit de nieuwe tijd voorbeelden werden toegevoegd.

In afzonderlijke vitrines kan men nu de teil, de schotel, de kookpot etcetera bestuderen. Getoond wordt hoe de schotel vier eeuwen geleden nog een vaste metgezel had, het komfoor (dat hete kooltjes bevatte om het voedsel te verhitten of warm te houden). En dat een koekepan vroeger van aardewerk was, en dan altijd een korte, dikke steel had omdat die anders zou afbreken bij het optillen van de gevulde pan (soms ook had de pan een hol steeltje waar een stok in kon worden gestoken). Oude teilen, waarin water gekookt werd, hebben vaak pootjes om op het vuur te kunnen worden gezet. Ketels werden lek en werden dan gelapt. In de buik van een oeroude kogelpot zijn vingerafdrukken te zien; dat soort dingen.

De voorbeelden van eigentijds keukengerei, bruiklenen van particulieren en van de exclusieve Rotterdamse pannenwinkel Het Kookpunt, staan er wat onwennig bij. Afgezien van wat gewolkt grijs spul en een enkel nederig pannetje van aluminium zijn het beroemde ontwerpen, peperduur in de aanschaf - een belangrijk verschil met het meeste oude kookgerei dat hier te zien is. Een roestvrijstalen vispan van Spring is een statussymbool, en dat was zo'n gezellige kookpot op drie pootjes nu juist niet. Maar uiteindelijk is het de aanwezigheid van de naburige, imposante collectie oude potten en pannen die het meest afdoet aan deze goedbedoelde expositie. Waarom zou je hier naar drie potten gaan kijken als er een paar passen verderop honderd staan?

Eigenlijk had kunnen worden volstaan met het publiceren van de catalogus van Quintessens. De artikelen over kookgerei die daarin staan maken van alles veel duidelijker dan een paar voorwerpen met bijschrift dat kunnen doen. Vooral het relaas van Joop Witteveen over de praktijk van stoken en koken in de keukens van vroeger, gebaseerd op kookboeken van de late middeleeuwen tot en met de negentiende eeuw (en een enkele eigen herinnering), is zeer verhelderend.

Ook de artikelen van archeoloog Karel Vlierman over keukeninventarissen op vergane schepen van 1300 tot 1900, en van Johannes van Dam over de ontwikkelingen in de twintigste eeuw zijn de moeite waard. Iemand die gewend is om altijd met huiverige voorzichtigheid om te gaan met het butagasflesje op een moderne plezierboot, kijkt vreemd op bij Vliermans beschrijving van wat op de houten schepen tot het eind van de zestiende eeuw als hittebron diende: een grote platte houten bak, gevuld met leem, later zand. Daar werd gewoon een vuurtje op gestookt.

Als om te herinneren aan de lichte verwarring waar potten en pannen in een kunstmuseum toe leiden opent de catalogus met een bijdrage van een filosofe, Elisabeth de Schipper. Wat is het: een meditatie? een discours? De schrijfster richt zich niet tot de lezer, maar tot de pot zelve. Zij doet hem mededelingen als dat hij onderdeel is geworden van ”een geconstrueerde esthetische samenhang'. Of, op intiemere toon: ”Als we de dingen proberen te denken, gaan we juist aan jou voorbij.'

Zorgelijke taal, en een bewijs te meer dat het maar net kan, die voorwerpen in een museum. Eigenlijk zijn zij er te aards voor, te begrijpelijk. Het zijn gewoon spullen - maar wel aardige spullen.