Criminoloog bepleit studie naar "afsluiten bovenwereld'

DEN HAAG, 17 SEPT. “De mafia pinkelt binnen”, zegt dr. P. van Duyne, beleidsmedewerker op het wetenschappelijk onderzoeks- en documentatiecentrum van het ministerie van justitie in een reactie op de nota "De georganiseerde criminaliteit in Nederland'.

Van Duyne is co-auteur van de studie "Misdaadondernemingen. Ondernemende misdadigers in Nederland' (1990) over de georganiseerde misdaad in Nederland. Hij constateert dat de laatste jaren bij een aantal zaken Italianen betrokken zijn, zij het voornamelijk in lagere regionen van de criminaliteit als "katvanger' of koerier. “Maar bij een grote, Nederlands-Belgische oliefraude dook opeens de naam op van een Amerikaans-Italiaanse mafiafamilie.” Ook bij het onderzoek naar de "XTC-bende' - waarvan een aantal leden begin augustus voor de Amsterdamse rechtbank kwam - is een link met Italië vastgesteld.

Van Duyne schrijft in het novembernummer van het Tijdschrift voor de Politie dat de bestrijding van de georganiseerde misdaad overigens niet onmiddellijk hoeft te betekenen dat er meer middelen of mensen moeten worden ingezet. Volgens hem is er tussen mensen aan de top van de georganiseerde misdaad en de criminele activiteiten waar zij hun geld mee verdienen een grote "strafrechtelijke afstand'. “Er zijn tal van (rechts)personen geplaatst tussen de organisator(en) en de strafbare feiten”. Door die afstand, en “het mastbos van contacten” zal het werk van bijvoorbeeld een interregionaal rechercheteam kostbaar en tijdrovend zijn. Ook zal het volgens hem vaak maar de vraag zijn of het Openbaar Ministerie tot een veroordeling kan komen. Die onmacht effectief op te treden ondersteunt de beeldvorming van "onaantastbaarheid' van de topcrimineel en is niet bevorderlijk voor het vertrouwen in de rechtsorde.

De WODC-medewerker gaat er van uit dat criminelen niet uit hun bed komen om criminele activiteiten te verrichten, maar om geld te verdienen. Daarbij gaan zij volgens hem als redelijk denkende, zij het onwettig handelende mensen te werk. En al handelend vormen zij een bestendige, marktgerichte organisatie: een misdaadonderneming. Daarom bepleit Van Duyne een gerichte aanpak van de handelswegen waarlangs de verboden goederen stromen. Wanneer herhaaldelijk smokkelladingen onderschept worden, verstoort dat de bedrijfsvoering van de misdaadondernemer. Ook een aanpak van het vuurwapenbezit bij lijfwachten en anderen in de buitenste schillen van de georganiseerde misdaadondernemingen zal volgens hem op den duur het beeld van "onaantastbaarheid' van de organisatie ondermijnen. Een voorbehoud maakt Van Duyne bij allochtone misdaadondernemers. Zij kunnen bijna ongelimiteerd uit eigen kring recruteren.

Samen met deze maatregelen, zegt Van Duyne, moet onderzocht worden hoe "de bovenwereld' kan worden afgesloten voor criminele ondernemers. Want “De btw-fraudeur moet zijn handelswaar ergens tegen "interessante' prijs afzetten; de groothandel in cannabisprodukten is voor de binnenlandse afzet aangewezen op de gedoogde coffee-shops; de afvalhandelaar kan slechts draaien wanneer de bovenwereld heel strak de andere kant uitkijkt en voor het grote geld en de rechtspersonen is de onderwereld aangewezen op de "fiscaal juridische' hulpmarkt.”

De onderzoeker wijst erop dat binnen het misdaad patroon "Euroregio's' zijn ontstaan: “samenhangende gebieden van misdaadhandel” waarbij sprake is van een persoonlijke en economische samenhang. Hij noemt als voorbeeld "btw-carousselnetwerken' in de Benelux die “zich thans uitstrekkend naar Duitsland en het noorden van Frankrijk. “Dit zijn over langere tijd ingeslepen netwerken, die zich overigens nog steeds verder ontwikkelen.”