Vreemdgaan

Ik had eens een vriendin die mij bedroog met een metselaar die bij haar een badkuip aan het metselen was. Ze had overall-fantasieën. Ze raakte opgewonden door zware shag rokende bouwvakkers die met ontbloot, gebruind bovenlijf op een steiger naar Hilversum 3 luisteren.

Ik kwam onverwachts bij haar binnenvallen en hoewel ik haar helaas niet op heterdaad betrapte, begreep ik duidelijk wat zich in haar vunzige nest had afgespeeld. Hier een slipje, daar een beha; ze kreeg de rits van haar jurk niet dicht en hield niets op haar plaats. (Een zijden jurkje, ik weet het nog goed, heel kort, waaronder haar lange benen zo mooi uitkwamen en dat ze van mij had gekregen in de opruiming, omdat ik net mijn eerste verhaal over een witte olifant had verkocht.) De metselaar worstelde met de knopen van zijn overall. Wat doe je in zo'n situatie? Ik ging roerloos maar vastberaden tegenover hen zitten. Ik keek hen zo doordringend mogelijk en vooral vol verachting aan. Mijn overspelige giechelde en haar metselheld tomperdetompte binnensmonds. Voorwaar geen ventje om het tegenop te nemen. Maar hoewel laf, bang ben ik niet. Ik keek naar zijn kale kop en zag tot mijn vreugde dat daar iets ontbrak wat tussen slipje en beha op het bed lag. Zijn toupetje. Een stevige haardos waarmee ik in natura zo rijkelijk was gezegend. Ik plakte het haarstukje omgekeerd op de kale cementkop, gooide vervolgens een half leeggedronken krat bier uit het raam, sprak enkele eeuwenoude, maar nog steeds actuele oudtestamentische vervloekingen over hen uit en verliet waardig de kamer om er nooit, maar dan ook nooit meer terug te keren. (Helaas bleef ik, voor ik de hoge trap afdaalde, met mijn voet ergens achter haken, zodat ik met een hese kreet in de diepte viel. Gelach uit de slettenkamer. Afgang.)

Als schooljongen hielp ik in de vakantie voor één gulden vijftig per week onze gereformeerde bakker als hulpje naast de bakkerskar. Ik reed op de fiets van de bakkersvrouw naar wat losse klanten links en rechts in de buurt. (Die vrouw zie ik nog voor me met haar altijd verkouden neus. En haar twee halfschele dochtertjes waarvan de oudste, toch al tien, het nog steeds in de broek deed. “Alleen een plasje af en toe.”) De bakker, met kwieke gang, zat hoog op het zadel van zijn glanzend gelakte, trotse bakkersbakfiets en liet af en toe een vrolijk gepingpang horen. Gereformeerd of niet, hij bleek een mens van vlees en bloed. Bij het broodbezorgen vertoefde hij soms uitzonderlijk lang in de flat van de blonde vrouw van een vertegenwoordiger in chocoladeflikken die op zijn beurt geregeld de winkel en de bakkersvrouw bezocht om zijn waren aan te prijzen, wanneer de bakker zijn wijk deed. Ja. Ja.

Op een dag heb ik wisselgeld nodig. Een bijdehande juffrouw deelt ongevraagd mede: “Die zal wel weer bij dat mens daarboven zitten.” Op een gluiperige manier sluip ik de trap op. De satan van de bakker heeft de voordeur van mevrouw expres en achterbaks open laten staan. Onhoorbaar fluister ik: “Bakker heeft u wisselgeld?” In de keuken is hij niet. In de kamer is hij niet. In de slaapkamer is hij wel. Bovenop de geheel ontklede vertegenwoordigersmevrouw. Ze zien me niet. Ik begrijp dat ik hier overbodig ben, maar ja, werk is werk. “Bakker, heeft u wat wisselgeld?” Schrik. Paniek. “Verdwijn, verdomme”, vloekt mijn baas. Ik weg. “Blijf hier. Ga naar de keuken.” Ik naar de keuken. “Jij hebt niks gezien.” Ik schud overduidelijk: ik heb niks gezien. Mevrouw in een doorschijnende peignoir: “Dit doen wij normaal nooit hoor.” Bakker: “Je hebt niks gezien, omdat je niks gezien hebt. Je bent vrij vandaag. Je krijgt vijftig cent opslag, omdat je niks gezien hebt. Opgehoepeld.”

Ik breng de fiets terug naar de bakkersvrouw. De winkel is gesloten. Ook gek op zaterdag. Ik heb de sleutel van het fietsschuurtje nodig. Door de achterdeur. Geen bakkersvrouw in de keuken. Geen bakkersvrouw in de woonkamer. Jawel. Wèl een bakkersvrouw in de slaapkamer. Compleet met natte neus in bed met de chocoladeflikkenmeneer.

Ik heb niks gezien. Wat zou ik ook hebben móeten zien. Ja, precies wat zou ik hebben móeten zien. Ik heb niks gezien. Krijg ik vijftig cent opslag. Want ik heb niks gezien. “En van mij krijgt die jongen een doos chocoladeflikken. Omdat het zaterdag is en hij niks heeft gezien.”

    • Jean-Paul Franssens