Treurige tuinsteden en spiegelpaleizen; Dan Graham toont het straatbeeld als conceptuele kunst

Tentoonstellingen: Walker Evans & Dan Graham. T/m 11 okt. in Witte de With en Museum Boymans-van Beuningen, Rotterdam. Open: di-zo 11-17u (Witte de With); di-za 10-17u, zo 11-17u (Boymans); ma gesl. Catalogus ƒ 60.

Mijn eerste indrukken van het leven in de Verenigde Staten kreeg ik, begin jaren zeventig, in een buitenwijk van Milwaukee. Om de sfeer te proeven bezochten we ook een modelwoning. In mijn ogen was dat huis wel luxueus en comfortabel, maar foeilelijk ingericht. Bovendien bleken de stenen muren als je er op klopte, van hout. Kortom, het echte Amerikaanse leven onderscheidde zich nauwelijks van het benauwende, kleinsteedse decor van Peyton Place.

Dit soort modelwoningen en de bijbehorende exterieurs - monotone, sfeerloze rijtjeshuizen - zijn te zien op de foto's van de Amerikaanse kunstenaar Dan Graham in het kunstcentrum Witte de With. Een aantal van deze foto's gebruikte Graham bij een artikel, Homes for America, dat hij eind 1966 in Arts Magazine bij wijze van kunstwerk publiceerde. In dit artikel - dat in Witte de With ingelijst als kunstwerk aan de muur hangt - beschrijft Graham de werkwijze van de projectontwikkelaars van de "tract houses' die na de Tweede Wereldoorlog in Amerika werden gebouwd. De toekomstige huiseigenaren konden kiezen uit verschillende modellen (met fraaie namen als The Sonata, The Concerto, The Nocturne) en kleuren. Het heeft allemaal weinig meer met architectuur te maken: de huizen zijn in feite bouwpakketten die op elke plek neergezet kunnen worden. De relatie natuur-architectuur is grondig verstoord, constateert Graham.

Waarom koos hij juist deze vorm, een artikel, voor zijn kunstwerk? Graham (1942) behoort tot de generatie conceptuele kunstenaars die, kort samengevat, het primaat van het idee stelden boven de materialisatie ervan. Toch ging het Graham, zoals hij al in 1970 zei, niet zozeer om de tegenstelling woord-object waar veel conceptuele kunstenaars zich op concentreerden, maar om de vraag wat informatie is - hoe we de dingen waarnemen. Deze vraag, gecombineerd met een grote belangstelling voor moderne architectuur, was het uitgangspunt voor de performances en videoinstallaties die Graham in de jaren zeventig uitvoerde.

Na de tuinstad nam hij, zoals uit de foto's blijkt, de wolkenkrabbers van glas en staal onder de loep die in Manhattan, Los Angeles en elders verrezen. Het artikel Private "Public' Space: Corporate Park Atriums (1987) is geïllustreerd met foto's van de hedendaagse versie van de negentiende-eeuwse wintertuin: weelderig begroeide openbare ruimtes van grote kantoorgebouwen. Van tuinstad tot "stadstuin' tracht Graham de toeschouwer een kritisch inzicht te verschaffen in de historische achtergronden en utopieën die leidden tot de architectuur waarin hij dagelijks verkeert. Of beter gezegd, hij wil dat de toeschouwer het effect van dit soort gebouwen, bijvoorbeeld van het alomtegenwoordige (spiegel)glas, aan den lijve ondervindt. Dit kan bijvoorbeeld in het park bij het Rijksmuseum Kröller-Müller waar twee vierkanten paviljoens van transparant spiegelglas (1978-82) staan opgesteld. Wie dit werk van Graham betreedt, ondergaat de wisselwerking tussen buiten-binnen, transparant-spiegelend, zien en (niet) gezien worden, heel direct.

In Witte de With zijn behalve foto's, documentatie en video's van en over Graham te zien. Ook al kan men deze tapes bekijken in een door de kunstenaar ontworpen transparant / spiegelende ruimte, toch doet deze tentoonstelling onvoldoende recht aan het veelomvattende - en door de nadruk op waarneming/gedrag van de toeschouwer actuele - oeuvre van Graham. Zijn foto's zijn voor hem een soort hobby, vergelijkbaar met tekeningen die tenslotte tot een kunstwerk kunnen leiden. Zo is de foto die Graham maakte van de achtertuin van een woningwetwoning in Alexanderpolder op zichzelf nauwelijks het bekijken waard, maar misschien komt er ooit nog eens een werk van Graham over onze wooncultuur. Andere hedendaagse fotografen als het echtpaar Becher en Thomas Struth die de moderne industriële en stedelijke omgeving haarscherp vastleggen, noemt Graham in een interview saai en formalistisch. Zijn eigen werk ademt nog steeds de kritische geest van de jaren zestig, die ook doorklinkt in het marxistische jargon dat Benjamin Buchloh bezigt in een in de catalogus herdrukt artikel uit 1977.

Wat heeft Graham dan wel te maken met zijn landgenoot Walker Evans (1903-1975), die in de jaren dertig de huizen en het leven in Main Street fotografeerde? In Museum Boymans hangt een mooie selectie van Evans' zwart-wit foto's die door de Franse fotografie-theoreticus Jean-François Chevrier voor deze gelegenheid aan Graham zijn gekoppeld. Dubbele lezing van zijn doorwrochte artikel overtuigde mij niet van de zin van deze koppeling. Het feit dat een redakteur van Arts Magazine indertijd bij Grahams artikel Homes for America (bij vergissing of bewust?) een foto van Evans plaatste, is onvoldoende reden. De andere argumenten die Chevrier aanvoert, bijvoorbeeld de belangstelling van Evans en Graham voor de Amerikaanse "vernacular culture' en de manier waarop beiden trachten te opereren tussen "grote' kunst en informatie, zijn ingenieus, maar verliezen bij het bekijken van het werk van beide kunstenaars hun relevantie.

De foto's van Evans zijn scherp en gedetailleerd. Je kunt lang kijken naar de overeenkomsten en verschillen tussen de rijtjeshuizen van toen, naar de rijke versieringen aan de huizen in "Gothic style' en de mensen die Evans rond 1940 in de Newyorkse subway fotografeerde. De kleurenfoto's van Graham die met behulp van tussennegatieven zijn gemaakt van diafilms, zijn daarentegen onscherp en soms verkleurd. Wie eerst de tentoonstelling van Evans bezoekt en vervolgens naar Witte de With gaat, raakt - ten onrechte - teleurgesteld door de technisch matige kwaliteit van Grahams foto's. Kortom, vergeet deze French Connection en beoordeel Evans en Graham op hun eigen merites.