Partnerpensioen

De laatste jaren is in veel pensioenregelingen naast het traditionele weduwen- en weduwnaarspensioen een partnerpensioen opgenomen. Het partnerpensioen komt toe aan degene met wie de deelnemer in de pensioenregeling op het moment van zijn overlijden ongehuwd samenwoonde.

De ontwikkeling van het partnerpensioen is met name gestimuleerd doordat vanaf 1988 een partnerpensioenregeling onder de Wet op de Loonbelasting valt, zodat de voor het partnerpensioen betaalde premies aftrekbaar zijn in verband met de heffing van loonbelasting. Voor deze aftrekbaarheid geldt wel een aantal vereisten. Zo dienen de werknemer en zijn partner beiden ongehuwd te zijn, geen bloed- of aanverwant van elkaar en moeten zij tenminste een half jaar een gezamenlijke huishouding voeren. Tevens moeten de partners beschikken over een notarieel vastgelegd samenlevingscontract, tenzij de gezamenlijke huishouding vijf jaar of langer bestaat.

De introductie van partnerpensioen vormt de neerslag van een meer algemene maatschappelijke trend. De nieuwe Algemene nabestaandenwet, die nog door de Eerste Kamer moet worden goedgekeurd en de AWW zal vervangen, regelt een nabestaandenpensioen voor ongehuwden. De ABP-wet daarentegen kent nog geen partnerpensioen. Evenmin valt het partnerpensioen onder de beschermende werking van de Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW). Op grond van de PSW moet een werkgever, die aan zijn personeel een pensioentoezegging doet, de voor pensioen bestemde gelden buiten de onderneming veiligstellen door storting in een pensioenfonds of bij een verzekeringsmaatschappij. Tevens is in de PSW geregeld dat een werknemer bij ontslag vóór de pensioendatum een premievrije aanspraak op weduwen- en weduwnaarspensioen meekrijgt. Hiernaast krijgt de ex-echtgenoot ingeval van echtscheiding een eigen premievrije aanspraak op weduwen- of weduwnaarspensioen, een zogenaamd bijzonder weduwen- of weduwnaarspensioen.

Onlangs is de ministerraad akkoord gegaan met een wetsvoorstel van de staatssecretaris van sociale zaken en werkgelegenheid om het partnerpensioen in de toekomst wel onder de PSW te brengen. Dat wil niet zeggen dat de werkgever verplicht wordt een partnerpensioen toe te zeggen, maar indien hij dat doet, zullen de gelden daarvoor bij een pensioenfonds of verzekeringsmaatschappij moeten worden ondergebracht. Het wetsvoorstel zal verder de verplichting opleggen om bij voortijdig vertrek uit een pensioenregeling een premievrij partnerpensioen mee te geven, doch deze verplichting zal niet altijd effect hebben. Dit komt doordat het partnerpensioen vaak wordt uitgevoerd door het sluiten van risico-verzekeringen, waarbij het risico van overlijden alleen gedekt is tijdens de looptijd van de verzekering. Een dergelijk risico-partnerpensioen heeft dus geen premievrije waarde. Een premievrije aanspraak kan slechts worden vastgesteld als het partnerpensioen wordt opgebouwd (opbouw-partnerpensioen).

Volgens het wetsvoorstel tot wijziging van de PSW zal er geen bijzonder partnerpensioen toegekend hoeven worden bij verbreking van de gezamenlijke huishouding. Ook de nieuwe Algemene nabestaandenwet regelt geen bijzonder partnerpensioen. Voor de laatste van een aantal opvolgende partners is het wel aantrekkelijk dat geen recht bestaat op een bijzonder partnerpensioen, want bij overlijden van de deelnemer in de pensioenregeling hoeft het partnerpensioen niet te worden gekort in verband met de aan eerdere partners toekomende (bijzonder) partnerpensioenen. De eerdere partners blijven hierdoor evenwel minder verzorgd achter. De toekenning van een bijzonder partnerpensioen zou daarom zijn te overwegen, maar wordt momenteel belemmerd door het ontbreken van een goede registratie van samenlevingsvormen.

Bij de uitvoering van partnerpensioenregelingen zijn pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen namelijk afhankelijk van een notariële akte en de - vooral ook tijdige (!) - melding van de gezamenlijke huishouding door de partners. In de praktijk verloopt dit niet altijd vlekkeloos. Bij een registratie van ongehuwd samenwonenden zou eenvoudig kunnen worden vastgesteld of men samenwoont, hoelang, met wie en op welk adres. De Commssie Kortmann had in een rapport van februari van dit jaar twee vormen van registratie voorgesteld: registratie in de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) en een registratie in de burgerlijke stand. De minister van Justitie heeft nu echter in een brief aan de Tweede Kamer laten weten allereerst nader onderzoek te willen verrichten alvorens een registratie van samenlevingsvormen mogelijk kan worden gemaakt. Voorlopig blijven een notariële akte en een melding van de gezamenlijke huishouding voor een aanspraak op partnerpensioen dus noodzakelijk.