Oost-Europa wil voor alles een sterke EG

Een sterke Europese Gemeenschap is het meest aantrekkelijk voor de Oosteuropeanen. Daarom hopen de meesten - maar niet allen - dat de Fransen komende zondag ja zeggen tegen "Maastricht'.

PRAAG, 16 SEPT. De drie Oosteuropese landen die waarschijnlijk het eerst in aanmerking zullen komen voor lidmaatschap van de Europese Gemeenschap, Polen, Tsjechoslowakije en Hongarije, zien de discussie in de EG over "Maastricht' met lede ogen, maar volkomen hulpeloos aan.

Ook al zijn er stromingen te vinden die geloven dat het afstemmen van Maastricht door de Fransen uiteindelijk alleen maar in het voordeel van Oost-Europa zal werken - met de argumentatie: hoe hechter de EG politiek en economisch is gecementeerd des te moeilijker wordt het om erin te komen - de meeste Oosteuropese politici denken toch dat een sterke gemeenschap betere garanties biedt voor een toekomstig lidmaatschap.

Op de verschillende ministeries van buitenlandse zaken in de drie landen hult men zich in het algemeen in een discreet en enigszins bedremmeld stilzwijgen als gevraagd wordt hoe Warschau, Praag of Boedapest aankijken tegen een Franse afwijzing van de politieke unie.

“We kunnen niet speculeren op de uitslag”, zegt een woordvoerder van het ministerie in Warschau, “maar aan ons uiteindelijke doel om lid te worden van de gemeenschap zal die niets veranderen.” Voor het officiële Poolse standpunt verwijst hij vervolgens naar het artikel dat zijn minister, Krzysztof Skubiszewski, in mei van dit jaar in Le Monde heeft geschreven. Daarin drukte Skubiszewski de tegenstanders van "Maastricht' op het hart er toch vooral aan te denken dat de verdieping van de gemeenschap niet alleen in het belang is van de twaalf lidstaten zelf, maar ook in dat van de Oosteuropese aspirant-leden, die de EG immers zien als “het toevluchtsoord van economische vooruitgang, democratie en veiligheid”. Polen en de andere staten die deel uitmaken van de Visegrad-driehoek willen niet zomaar deel uitmaken van een gemeenschappelijke markt, een vrijhandelszone, laat staan een nieuwe vereniging van naties, nee “ze willen op een dag behoren tot een solide politieke en economische unie”.

Niet alle Polen, zelfs niet binnen het coalitiekabinet, zijn het daarmee eens. Een man als Henryk Goryszewski, minister van economische zaken, vice-voorzitter van de christelijk-nationale vereniging (ZChN) en vice-premier, waarschuwde onlangs in Zycie Warszawy dat Europa via Maastricht op weg is een “Europa van de Duitse natie” te worden. Goryszewski ziet juist meer in het oude gaullistische concept van een “Europa der vaderlanden”, waarin de nationale staten door verdragen met elkaar verbonden zijn om militaire conflicten uit te sluiten, maar waarin ze hun soevereiniteit kunnen bewaren. Hem zou een Frans torpederen dan ook zeer welkom zijn omdat vooral de kleinere landen naar zijn mening door Maastricht van hun nationale identiteit beroofd dreigen te worden.

Een heel ander dan het officiële geluid liet vorige week ook de Tsjechische premier, Václav Klaus, horen. In een vraaggesprek met het dagblad Mlada Fronta Dnes plaatste de premier verscheidene kanttekeningen bij de huidige debatten over Europa.

Op het ogenblik, nu de federale staat in ontbinding verkeert, had het volgens Klaus weinig zin extra vaart te zetten achter het proces van Tsjechische integratie in de Europese Gemeenschap. Op de vraag wanneer dat dan wel actueel zal worden zei Klaus dat door de discussie over "Maastricht' “een groot vraagteken boven de EG zelf hangt”. Het verdrag van Maastricht is volgens de Tsjechische premier “een kunstmatige en mijns inziens onnodige poging om het proces van Westeuropese integratie te versnellen”. In kleine kring had de Tsjechische premier eerder al eens laten weten dat men beter “geen Maastricht, dan een Maastricht dat afgeschoten wordt” kan hebben, waarmee hij de Westeuropese politici impliciet verwijt dat ze veel te roekeloos zijn omgegaan met het nieuwe verdrag en te weinig de mogelijkheid hebben ingecalculeerd dat het verworpen zou worden.

Klaus, zo blijkt verder in het vraaggesprek, heeft plotseling niet zo'n haast meer omdat hij bang is dat het Verdrag van Maastricht grotere ruimte zal bieden voor staatsinterventie. “De Tsjechische regering is conservatiever dan de meeste Westeuropese regeringen”, stelt de premier vast, “en is vastbesloten om een eind te maken aan (staats)interventie.” Klaus, wiens puur monetaristische politiek in de tijd dat hij minister van financiën van de federale regering van Tsjechoslowakije was vaak werd vergeleken met die van Margaret Thatcher, vindt dat het niet nodig is dergelijke interventiepolitiek via de EG weer in te voeren. Waarmee niet gezegd wil zijn dat hij tegen een Tsjechisch lidmaatschap van de EG is.

Diplomatieke waarnemers in Praag geloven dat de woorden van Klaus niet moeten worden uitgelegd als een teken dat Praag minder geïnteresseerd zou zijn om lid te worden van de EG. Het is volgens hen eerder een tactische manoeuvre om zich te kunnen indekken wanneer het met de associatieverdragen van de Visegrad-landen met de EG inderdaad moeizamer zou verlopen dan verwacht. Klaus houdt er kennelijk rekening mee dat de interne discussie in de EG de aandacht voor de Oosteuropese landen voor langere tijd zal doen verslappen.

“Het is erg gecompliceerd”, zegt een woordvoerder op het federale ministerie van buitenlandse zaken in Praag. “Niemand weet wat er gaat gebeuren. Het is een academische vraag wat voor effect een Franse afwijzing zal hebben. Alles hangt af van de uitslag en daarna zal in de EG zelf het debat moeten beginnen hoe het met Maastricht op gang gebrachte proces moet worden beëindigd. Het is nog te vroeg er iets zinnigs over te zeggen, we zijn optimistisch, maar ook realistisch.”

Ook de Hongaarse regering is realistisch. Ze sluit niet uit dat een Frans nee en het daaruit voortvloeiende echec van het Maastrichtse verdrag een negatief effect zal hebben op de snelheid van het onderhandelingsproces dat Hongarije uiteindelijk een lidmaatschap van de Europese Gemeenschap moet bezorgen. “Op onze eigen bedoelingen”, zo zei de woordvoerder van het ministerie van buitenlandse zaken in Boedapest, Herman Janos, “zal een afwijzende uitslag van het referendum geen enkele invloed hebben. Hongarije, niet alleen de regering, maar alle belangrijke partijen in het parlement staan daar achter, vinden dat we er alles aan moeten doen om door te gaan, ongeacht de problemen die zich binnen de Europese Gemeenschap voordoen.”

Boedapest hoopt dan ook vurig dat de EG-lidstaten de mogelijke belemmeringen die zich in het integratieproces voordoen te boven zullen komen en dat die geen invloed zullen hebben op de uitvoering van de associatieverdragen die de EG heeft gesloten met de Oosteuropese landen. “Wij zijn geen lid van de EG en hebben natuurlijk niets te zeggen over wat er gaat gebeuren. Maar wij zijn er in de eerste plaats in geïnteresseerd dat Hongarije zich ontwikkelt tot een efficiënte markteconomie en een stabiele democratie”, zo zei Janos.

Oost-Europa wacht af, de Europese Gemeenschap zal eerst het eigen huis op orde moeten brengen en met zichzelf in het reine komen. Invloed kunnen de Visegrád-landen niet uitoefenen, dat zou teveel op inmenging lijken. Bovendien, de Oosteuropeanen lijken er ook niet wakker van te liggen of de Fransen "Maastricht' nu wel of niet aannemen. Zelfs tijdens de besprekingen die de Tsjechische premier het afgelopen weekeinde heeft gevoerd met zijn Poolse collega, Hanna Suchocka, is het onderwerp Europese Gemeenschap niet ter sprake gekomen, zo verzekert een Tsjechische woordvoerder. Daar is alleen over de bilaterale betrekkingen gepraat, zoals over het instellen van een vrijhandelszone.