Nieuw-Zeeland bestrijdt verwoestend knuffeldier; Ondernemende Kiwi's trachten het naar konijn smakende opossumvlees aan de man te brengen

WELLINGTON, 16 SEPT. De aandoenlijk ogende opossum is het meest gehate dier in Nieuw Zeeland. Uit Nederland afkomstige immigranten knopen met de zich rond hun woonhuis ophoudende nachtdiertjes soms vriendschappelijke banden aan, maar voor de Nieuw-Zeelandse overheid en natuurbeschermers is de opossum een regelrechte plaag. De uit Australië afkomstige planteneters bedreigen het voortbestaan van de unieke Nieuwzeelandse flora en fauna.

“Het dragen van opossumbont is een milieuvriendelijke daad”, meent Malcolm Moore, de voorzitter van de New Zealand Opposum Fur Producers Association, de belangenvereniging van opossumjagers. Hij constateert met genoegen dat modeontwerpers, ook Nederlanders als Frans Molenaar, Edgar Vos en Frank Govers, in toenemende mate opossumbont verwerken in hun creaties.

Bijna al het opossumbont gaat vooralsnog naar Zuid-Korea, waar het als voering wordt gebruikt voor kleding met bestemming Verenigde Staten. “We hebben nieuwe markten hard nodig”, zegt Moore. “Door overproduktie van minkvellen en activiteiten van dierenbeschermers is de internationale bonthandel in de jaren tachtig ineengestort. Wij ontvangen voor een opossumvel gemiddeld nog twee Nieuw-Zeelandse dollar (huidige koers 1,40 gulden), tegenover acht tot tien dollar begin jaren tachtig. Bij het huidige prijspeil is opossumjagen economisch niet haalbaar. We hebben een prijs van zeven tot acht dollar per vel nodig.”

De Nieuwzeelandse minister van Natuurbehoud, Denis Marshall, steunt Moore. “Het is ironisch dat de campagne van de internationale natuurbeschermers juist bijdraagt tot het opossumprobleem in Nieuw Zeeland. We zouden een etiket moeten hebben voor Nieuw-Zeelandse opossumbontprodukten. Zo'n etiket kan aangeven dat het produkt milieuvriendelijk is. Als minister van natuurbehoud zou ik het goedkeuren.”

De opossums werden tot de jaren dertig ingevoerd uit Australië om een winstgevende bontindustrie op te zetten. De nieuwkomers bleken goed te gedijen in een milieu zonder natuurlijke vijanden en bossen met een gevarieerd voedselaanbod. Eigenlijk gedijden ze te goed. De populatie in Nieuw Zeeland bedraagt nu zestig tot tachtig miljoen opossums. De schade die ze aan natuur en agrarische sector aanrichten, wordt op vijftien miljoen dollar per jaar geschat.

De problemen zijn het grootst op het warmere Noordereiland. Een van de slachtoffers van de opossum is de door Nieuwzeelanders geliefde pohutukawaboom, de lokale kerstboom, die vooral langs de stranden voorkomt. “Bij een recent onderzoek in Northland (het schiereiland ten noorden van Auckland, red.) bleek dat bijna alle pohutukawa's door opossums zijn aangevreten. Ze ontbladeren vaak een hele boom voordat ze verder trekken. De kans dat de vaak eeuwenoude bomen sterven is groot”, zegt Gerald Hosking, ecoloog bij het New Zealand Forest Research Institute in Rotorua. Volgens Hosking is het mogelijk dat de pohutukawa volledig uit de Nieuwzeelandse natuur verdwijnt.

Opossums berokkenen ook schade aan ruim tweehonderd andere soorten inheemse Nieuw-Zeelandse bomen en planten. Ze vernietigen zo het voedsel van inheemse vogels, die leven van de bladeren en vruchten van die bomen. Ze laten de enorme uitheemse, economisch belangrijke dennenplantages evenmin met rust.

Het ministerie van natuurbeheer besteedt daarom jaarlijks drie miljoen dollar aan opossumbestrijding. Dat gebeurt onder meer door met natriummonofluoroacetaat vergiftigde worteltjes uit te werpen boven moeilijk bereikbare streken. Enkele eilanden en natuurreservaten, die vrijwel opossumvrij zijn gemaakt, toonden herstel van de bedreigde boomsoorten.

Het gif is in veel Westerse landen verboden en het gebruik stuit op verzet van dierenbeschermingsorganisaties, die zeggen dat het gif ook andere diersoorten een pijnlijke dood bezorgt. De oorspronkelijke Polynesische bewoners, de Maori's, hebben ook bezwaren. Ze protesteerden omdat het gif terechtkomt in rivieren en meren, die een voor hen mythologische en spirituele betekenis hebben en belangrijk zijn voor visvangst. “Het is daarom beter dat de overheid meer van opossumjagers gebruik maakt”, zegt jagersvoorman Malcolm Moore. “We kunnen voor minder geld vaak een groter uitroeiingspercentage bewerkstelligen. Het jagen schept arbeidsplaatsen en het bont wordt zo niet verkwist, maar in elk geval nog voor iets nuttigs gebruikt.”

Of de opossumjagers daadwerkelijke bijdragen aan de oplossing van het opossumprobleem kunnen leveren, is de vraag. Minister Marshall zegt dat de jagers jaarlijks zo'n twaalf miljoen beesten zouden moeten vangen, voordat een blijvende verlaging van de aantallen opossums zal optreden. “Zelfs in de topperiodes werden hooguit vijf miljoen vellen verkocht”, zegt hij.

De dierenbeschermingsorganisaties SPCA (Society for the Prevention of Cruelty to Animals) is fel gekant tegen commercieel gebruik van opossumbont. “Het is in principe schandalig dat mensen met dierenvellen op het lijf rondlopen. De bontjagers misbruiken de milieuschade door de opossum slechts als excuus. Ze willen het aantal opossums helemaal niet verminderen, want dan komt hun bestaan in gevaar”, zegt woordvoerder Ross McLauchlan.

McLauchlan verzet zich tegen het gebruik van vallen die de opossum niet onmiddellijk doden als tegen gif. Hij wil dat de regering meer geld steekt in het onderzoek naar biologische en andere humane bestrijdingsmiddelen. Een ervan is de introductie van een ziekte, die de opossums onvruchtbaar moet maken. “Opossums worden gemiddeld negen jaar oud en het hele probleem zou zo snel op humane manier kunnen worden opgelost”, zegt McLauchlan.

De overheid richtte onlangs een Nationale Wetenschappelijke Strategiecommissie op met een jaarlijks budget van zes miljoen dollar voor het vinden van wetenschappelijke oplossingen voor het opossumprobleem. Dat bedrag geeft aan dat niet alleen het ministerie van natuurbehoud belang heeft bij het bestrijden van de opossum. De ongewenste Australische vreemdelingen kunnen ook drager zijn van een tuberculosebacterie, die runderen, herten en schapen kan besmetten.

Wegens het tubercolosegevaar stelt de Nieuwzeelandse overheid strenge voorwaarden voordat opossumvlees voor menselijke consumptie mag worden verkocht. De bontdragers moeten weken in quarantaine verblijven, voordat slachting wordt toegestaan. Gedurende die periode eten de opossums zoveel voedsel, dat het afzonderingsverblijf oneconomisch wordt. Dat neemt niet weg dat ondernemende Kiwi's af en toe trachten het naar konijn smakende opossumvlees aan de man te brengen. Als lekkernij belandde het al eens op de borden van exclusieve restaurants in Hongkong.

Het bedrijf Jolly Greenies uit Hamilton kondigde onlangs plannen aan om ingeblikt opossumvlees op de Europese markt te slijten. “Je hebt niet veel opossumvlees nodig om alle benodigde proteïne binnen te krijgen. Het is erg goed, mals, smakelijk en schoon vlees”, aldus woordvoerder Chris Musson. Hij gelooft dat er na Tsjernobyl in Europa een grote vraag bestaat naar Nieuwzeelands wild, dat Musson daar onder de merknaam Rainbow Warrior denkt te verkopen.