Maastrichtse textielschat na restauratie te zien op permanente tentoonstelling; Valken en bloemknopjes uit de Middeleeuwen

Hoewel blinkend goud de meeste aandacht trekt in de schatkamer van de Sint-Servaasbasiliek in Maastricht, is de textielschat er minstens zo bijzonder. Zozeer zelfs dat een Zwitserse stichting de textielfragmenten vanwege hun cultuurhistorisch belang gratis conserveerde. Sinds mei is de collectie weer terug in Maastricht en wordt permanent tentoongesteld.

Uit de schatkamer van de Sint-Servaasbasiliek in Maastricht zijn 158 lappen, lapjes en kleine stukjes textiel gespoeld of gewassen in het wereldberoemde atelier voor textielrestauratie in het Zwitserse Riggisberg. Sommige zijn ter versteviging op een nieuw lapje genaaid of opnieuw in vorm gebracht. Het atelier is verbonden aan de Abegg stichting, opgericht door de in 1984 overleden industrieel Werner Abegg, die een omvangrijke textielcollectie beheert. Het atelier heeft een ruime ervaring met eeuwenoud textiel en doet soms gratis restauratiewerk voor instanties die dat zelf niet kunnen betalen. Zo restaureerde het onlangs nog het vermeende lijkkleed van de heilige Antonius uit Padua.

Van de bewaarde textielfragmenten uit de schatkamer van Sint Servaas dateert het vroegste stuk naar schatting uit de vierde of vijfde eeuw. Hoe oud dat is blijkt wel uit het feit dat aan geweven kleding slechts bij hoge uitzondering iets bewaard is gebleven van voor 1700. De kennis van de middeleeuwse textielproduktie is dan ook geheel afhankelijk van resten textiel die als relikwie werden bewaard -de kleding van een heilige bijvoorbeeld- of die gebruikt werden om een relikwie in te bewaren.

Omdat men relikwieën magische krachten toekende, werden ze met zorg behandeld. Ze werden veelal bewaard in crypten, waar een vrij constant klimaat heerst. Daardoor bleven ze gespaard voor de tand des tijds. Met name in de vorige eeuw won de nieuwsgierigheid het echter vaak van het respect en werden de reliekenpakketjes uit elkaar gepeuterd.

Zo ook in Maastricht. In 1863 werd in aanwezigheid van de Akense kanunnik Franz Bock, bijgenaamd De Schaar, de zogenoemde Noodkist geopend. Deze twaalfde-eeuwse schrijn bevatte volgens de overlevering onder meer de kleren van Sint Servaas en de lijkwade van Sint Martinus. Bock, zelf een verwoed textielverzamelaar, deed zijn bijnaam eer aan en knipte bij deze gelegenheid vast twee flinke punten uit het dertiende-eeuwse grafdoek. De ene verkocht hij al het jaar daarop. Dat stuk belandde in een Weense verzameling. De andere punt bevindt zich in Brussel.

Tot in de jaren zestig van deze eeuw hebben geïnteresseerden de schatkamer op historisch textiel doorzocht. Pastoor Sigismund Tagage, conservator van de kerkschat, vertelt bijvoorbeeld dat een van zijn voorgangers zeer begaan was met de relieken, en in de jaren dertig de bekleding van diverse reliekhouders verving door stukken van nog frisse middeleeuwse stoffen die elders in de schatkamer aanwezig waren.

Het is daarom een klein wonder dat er nu nog zoveel over is. Tagage redde bij diverse verbouwingen en verhuizingen zakken en potten met opgefrommelde en kruimelende lapjes van de vuilnisbelt. Voor de restauratie zagen veel fragmenten er onooglijk uit. Nu ze zijn gespoeld, uitgevouwen en op een donkere ondergrond gemonteerd is pas duidelijk hoe bijzonder ze zijn.

De fragmenten zijn afkomstig uit alle windstreken: China, Byzantië, Egypte, Spanje, maar ook uit Maastricht en Keulen. Goudkleurige valken zijn ingeweven in groen rond de veertiende eeuw in Italië; bloemknopjes in een net van rode ruiten op een donkerblauwe grond in Byzantië rond de tiende eeuw. Weinig vervaarlijke Centraalaziatische leeuwen prijken op de purperen grond van een van de grotere en destijds zeer kostbare fragmenten. Ze komen uit de schrijn van Servaas.

Volgens Ebeltje Hartkamp, conservator textiel van het Rijksmuseum, is de Maastrichtse collectie een van de belangrijkste van Noord-Europa. In het Vaticaan, in Sens en in Keulen bevinden zich nog grotere verzamelingen, maar in onze streken zijn de meeste uiteengevallen. Juist het feit dat de textilia zich in Maastricht nog in hun historische context bevinden, is bijzonder. Dat de kwetsbare collectie voortaan permanent wordt geëxposeerd en dus belicht is overigens een beslissing die moet zijn ingegeven door de wens om het huidige publiek terwille te zijn, en niet het nageslacht.

Naar aanleiding van de conservering en de daarop volgende tentoonstelling in Riggisberg schreef Annemarie Stauffer, kunsthistorica en textielrestauratrice opgeleid aan het Abeggatelier, een uitstekend verzorgde catalogus. Elk stuk is gefotografeerd, beschreven en zoveel mogelijk gerelateerd aan andere collecties. De tekeningen en foto's helpen erg bij het vormen van een goed begrip van hoe de stoffen er oorspronkelijk uitzagen. Voor de geïnteresseerde leek had de (textiel-)historische inleiding echter wel iets uitgebreider gemogen.

Stauffer doet de opmerkelijke veronderstelling dat de uit honderden losse puzzelstukjes weer in elkaar gepaste linnen albe (een wit miskleed) uit de schrijn 'zeer wel mogelijk' aan Servaas zelf toebehoord kan hebben. Een datering voor dit kledingstuk heeft zij echter niet durven geven. Bij het Zwitserse onderzoek zijn slechts traditionele technieken op stilistische en weefseltechnische gronden gebruikt om de ouderdom van de fragmenten vast te stellen. Dat de albe werkelijk uit de vierde eeuw zou stammen is onwaarschijnlijk. Alle overige doeken uit de schrijn zijn jonger en ook de volgens de overlevering bij hem horende attributen, zoals de pelgrimsstaf en het borstkruis, stammen van eeuwen later. Een chemisch onderzoek zou het bewijs kunnen leveren.

Middeleeuwse textilia in de kerkschat van de Sint Servaasbasiliek in Maastricht, permanente expositie. Catalogus in het Duits door Annemarie Stauffer, ƒ 95,-.