Kamerleden zoeken naar thema in Miljoenennota; "Saai? Wat noemt u saai? Laat ons nou maar ons werk doen.'

DEN HAAG, 16 SEPT. Zelfs de rapst sprekende Tweede-Kamerleden raakten er door in verlegenheid. Vragen naar hèt thema van de Miljoenennota, dè boodschap van Prinsjesdag bracht hen meestal tot gestamel. “Fraudebestrijding? Degelijke begroting? Onzekere internationale toestand?” De geachte parlementariërs wisten het eigenlijk ook niet. Ze gingen liever hun familieleden of kennissen op de overvolle publieke tribune begroeten.

Het Binnenhof had gisteren nog het meest weg van een forum-avond waar de organisatoren de stellingen thuis hadden laten liggen. Men was uitgenodigd. Men was geacht iets te zeggen. Maar men wist eigenlijk niet wat. Politieke strijdpunten waren er niet en dus begon men maar weer over de oude, zoals de WAO. Wie sprak over de begroting als "realistisch' of "degelijk' zou wel eens van het regeringskamp kunnen zijn. "Saai' was geheid het oppositionele geluid.

Buiten, tussen een haag van toeschouwers - demonstranten ontbraken - en olijk met hèt koffertje zwaaiend, wilde minister Kok van geen "saai' weten. “Saai? Wat noemt u saai? De ene keer is het niet goed omdat we ruzie maken. De volgende keer doen we keurig ons werk en dan is het weer saai. Laat ons nou maar ons werk doen.” Bovendien, de vragensteller kende het rijtje toch zelf ook wel? Maastricht (verdrag), Washington (verkiezingen), Joegoslavië (oorlog), Frankfurt (Bundesbank), symbolen van onzekerheid en zorg. Wie daarop duidelijk beleid wil bouwen, bouwt volgens Kok op drijfzand.

Binnen verzuchtte nationaal beschouwer en D66-voorman Hans van Mierlo in het traditionele fractie-voorzittersdebat: “De begroting zou bijna door ieder ander kabinet gemaakt kunnen zijn, en daarvoor geef ik mijn complimenten aan het CDA”. Het werd nauwelijks bestreden. Alleen PvdA-fractievoorzitter Wöltgens deed een manmoedige poging het politieke gezicht van het kabinet te redden. Binnen de smalle marges die elk kabinet nu eenmaal kent waren duidelijke keuzes gemaakt: met extra cellen en agenten voor extra veiligheid, met geld voor salarisverhogingen voor beter onderwijs, en niet te vergeten het koopkrachtbehoud voor de minima.

Ook premier Lubbers deed pogingen Prinsjesdag 1992 een programma mee te geven. “De woorden sterk en geloofwaardig Nederland uit het begin van de troonrede zijn een reactie op de beelden uit het buitenland van honger, ellende en vluchtelingenhaat en wat je allemaal nog meer hebt”, zei hij. Daarop past Nederland volgens de premier niet alleen een praktische, maar ook een geestelijke reactie. “Je moet jezelf ook sterk en geloofwaardig maken in je rechtsstaat en sterk in je economie. Dat gaat niet vanzelf. We kunnen best trots zijn dat wij een economie hebben die groeit, maar dan zeg ik: pas op, voor je het weet gaat het fout. Het gevaar is dat je zelfgenoegzaam wordt, dat het gaat slijten en tekort schiet.” Het bleef Lubbers' thema. In reacties van anderen resoneerde de oproep nauwelijks.

Misschien was het allemaal wel een voorproefje van wat Nederland de komende Prinsjesdagen te wachten staat. Waar Brussel steeds meer aan Den Haag gaat voorschrijven en Den Haag van mening is dat de maatschappij - sociale partners, andere organisaties - zelf moet beslissen over wat er met bijvoorbeeld de werkgelegenheid moet gebeuren, valt op het Binnenhof nog weinig te discussiëren.

Fractievoorzitter Brinkman van het CDA, de partij van de eigen verantwoordelijkheid, noemde de Troonrede niet voor niets “heel realistisch” omdat “het kabinet niet alles zelf kan doen. De Troonrede doet een duidelijk beroep op burgers, bedrijven en instellingen om ook zelf een beetje mee te helpen Nederland verder op te stoten”. Premier Lubbers had eerder, wat vermoeid, gesproken over “het estafette-stokje overgeven aan de maatschappij”. Minister de Vries (sociale zaken) maande: “Wij hebben nu ons huiswerk gedaan. Ieder op zijn beurt. Wij hebben ons aandeel geleverd, nu is het hun beurt, zij moeten een geloofwaardig gebaar doen. Als zij het niet doen stellen ze ons ernstig teleur”.

En dus verplaatste het debat zich gisteren naar "zij', de sociale partners dus. Op diverse plekken ontmoetten werkgevers en werknemers elkaar gisteren: tussen de rijen grijze en blauwe pakken van de traditionele bijeenkomst bij Van Lanschot-bankiers aan het Lange Voorhout, en tussen de camera's voor de televisie. VNO-voorzitter Rinnooy Kan liet daar blijken voorlopig geen behoefte aan estafette-stokjes te hebben. Hij had aan het afgelopen jaar met het mislukt ziektegeld-akkoord een “katterig gevoel” overgehouden, een van de redenen om met “toenemende scepsis en wantrouwen” naar de kabinetsplannen te kijken.

De christelijke organisaties reageerden positiever. CNV-voorzitter Westerlaken toonde zich bereid “de agenda te trekken om afspraken te maken”. De nieuwe voorman van de christelijke werkgevers (NCW), Blankert, zei weliswaar iets over onzekere ontwikkelingen in Europa maar als die “aanleiding geven voor afspraken voor 1993, dan was hij daarvoor in”.