De minister en de fietsendief

De belangrijkste hinderlaag op de weg naar het sterke en geloofwaardige Nederland van de Troonrede is bemand met een strijdmacht van grote en kleine criminelen, de grote belastingontduikers en de kleine oplichters en kruimeldieven van de staat. In de meeste commentaren op de Troonrede komt een passage voor waarin de schrijver vaststelt dat hier een “regering zonder onderdanen” aan het woord is, dat “de mensen met hun rug naar Den Haag staan”, dat “het politiek Den Haag aan verstaanbaarheid ontbreekt”, en diagnoses van gelijke strekking.

De grote mogendheden hebben het moeilijk, laat de regering met een bescheiden vleugje leedvermaak weten. Uw kabinet heeft zo goed op het land gepast dat we dergelijke problemen hier niet hebben. De gulden is hard, de toekomst niet onbezorgd maar aanlokkelijker dan over de grens. Het enige dat aan deze Troonrede ontbreekt is een "Het zal waarachtig wel gaan'. Deze positieve grondhouding werkt, als we opnieuw de commentaren proeven, niet aanstekelijk. Men is wel bereid te geloven dat de Miljoenennota een solide werkstuk is, maar er is een groot verschil tussen dit geloven en de geloofwaardigheid die de regering zal bevorderen.

Criminaliteit is zonder twijfel de grootste zorg van de Nederlanders, schrijft Eduard J.Bomhoff in zijn beschouwing van gisteren. Met respect voor zijn analyse: ik vind dit nog niet nauwkeurig genoeg uitgedrukt. Het vraagstuk van de nationale geloofwaardigheid is dat de inbreker die door uw raam naar binnen komt en het onder de dope zittende rovertje met wie u de laatste tram deelt, geloofwaardiger zijn dan de minister van justitie en de hoofdcommissaris. Het verschil in geloofwaardigheidsgehalte tussen vijand en bondgenoot is niet van vandaag of gisteren. Het is gestaag gegroeid, van politietekort en cellenprobleem naar reorganisatie en ruzies over meer dan één delinquent in een cel en hoeveel dan wel en hoe lang. Van justitiële vormfouten waaraan zware misdadigers hun onverwachte vrijheid te danken hadden en duizenden "heenzendingen' wegens personeelsgebrek tot ontsnappingen per helikopter. De paradox van de Nederlandse geloofwaardigheid is dat op de kwaliteit van onze gulden goed wordt gelet, maar dat in de meningsverschillen tussen de perfectionisten de doelmatigheid van het uitgeven in het gedrang raakt; doelmatigheid gedefinieerd volgens de eisen die de burgerij daaraan stelt.

Het gaat in Nederland beter dan in de grootste rest van de wereld. De ernstigste zorg is "het afbrokkelen van de publieke moraal'. Deze eerste constatering heeft de ondertoon van een ouderwetse neutralistische droom, al zal het zo niet zijn bedoeld. Op het gebied van de publieke moraal overkomt ons niet veel anders dan de hele Westelijke wereld, zij het in gematigder, zelfs zachtaardiger vorm. De oorzaken hier zijn dezelfde als in het buitenland. Ze hebben alleen nog niet een overeenkomstige omvang en daarom zijn ze hier misschien nog minder moeilijk te beheersen.

Op het gebied van de openbare veiligheid is de Troonrede opmerkelijk door wat er niet in staat. Zoals de grote voorbeelden in het buitenland leren, valt veiligheid niet te scheiden van stadsvernieuwing. Waar mensen beter wonen, de verlichting werkt, de straat schoon wordt gehouden, politiebureaus dag en nacht open zijn, zich weleens een agent laat zien, is de veiligheid groter. Extreme voorbeelden, Washington, New York, Liverpool, laten zien dat waar de overheid zich de facto uit een buurt of een district heeft teruggetrokken, de handhaving van de orde wordt overgenomen door het bendewezen en het nachtelijk straatbeeld wordt bepaald door een informele burgeroorlog. Een geloofwaardige aanloop daartoe heeft het afgelopen jaar het Amsterdamse stadsdeel Bos en Lommer laten zien.

Op stadsvernieuwing wordt bezuinigd. Rotterdan zal de komende vier jaar tachtig miljoen gulden minder uitgeven. Het is relatief niet veel, maar in werkelijke gevolgen wel omdat het een verlaging betekent van het noodzakelijke minimum. In Amsterdam zijn dertigduizend woningen van de renovatielijst afgevoerd. Van Utrecht en Den Haag worden dergelijke beperkingen verwacht. Hier zien we de werkelijke vraagstukken van de geloofwaardigheid.

Onlangs heeft de Algemene Rekenkamer, zij het niet in deze bewoordingen, vastgesteld dat de Nederlandse overheden bijelkaar een krankzinnig bedrag aan public relations uitgeven: 660 miljoen per jaar, en daarvan een niet nader vast te stellen maar wel te vermoeden bedrag aan onzin. Er zal nu zestig miljoen worden bezuinigd, of ongeveer de kosten van tien GAK-feestjes.

Het vraagstuk van de nationale geloofwaardigheid is, dat de beste talenten uit de public relations, al die prozaïsten die verzinnen dat Amsterdam "het heeft' en dat Nederland "zich sterk moet tonen' machteloos zijn tegen de 150.000 mensen, alleen al in Amsterdam, van wie het vorig jaar de fiets is gestolen. Dat zijn 150.000 kleinigheden van alle dag. Die gevoegd bij de grote maakt dat zoveel mensen, na het horen van een Troonrede in de "Het zal waarachtig wel gaan' toonzetting denken: "Je kunt me nog meer vertellen'. Deze Nederlandse uitdrukking, dit volstrekte tegendeel van de taal der public relations, geeft een nauwkeurige samenvatting van het vraagstuk der nationale geloofwaardigheid.