De banen die niet in de Troonrede stonden

Het is altijd even doorbijten, Prinsjesdag. Sympathie voor de Koningin en haar familie, zo veel meer bij de les dan de collega's in Engeland. De firma Oranje wordt geleid door een vorstin die zelfs het voorlezen van de Troonrede met een maximum aan inzet verricht. Een grotere beproeving voor de toehoorder zijn de samenspraakjes na afloop. De voorzitters van werkend Nederland doen een rondje najaarspingpong, achter de tv-boeketten afgewisseld door mr. drs. Hans Elco Wöltgens die in code-taal landjepik op de nullijn speelt.

Voor belangstellenden zonder ondertiteling was het goed dat de Troonrede zich verhief uit dit gemillimeterde landschap met de ferme uitspraak dat “de opdracht” (van wie ook al weer?) is: “Een Nederland dat zich sterk en geloofwaardig toont”. Dat dragende thema dook later weer op, Frans referendum of niet, in Europa ligt onze toekomst “sterk en geloofwaardig met onze eigen identiteit”. En ook binnen de grenzen geldt: “Een sterk Nederland vraagt investeren in werkgelegenheid”.

Dat laatste leek een belangrijke boodschap in een curieuze formulering, want als het land al sterk is, waarom dan nog investeren? Het is juist een niet-zo-sterk Nederland dat vraagt om "investeren in werkgelegenheid'. Dat begrip uit het post-sociaal-economische jargon betekent: minder geld lenen voor prettig klinkende doelen in de hoop bij te dragen aan afremming van de groei van het aantal landgenoten dat door werkenden in leven wordt gehouden. (Vijf miljoen Nederlanders werken en vier miljoen mensen krijgen een uitkering - die verhouding verslechtert voorlopig.)

Hoe dat investeren in werkgelegenheid gebeurt, staat in het recept van de chefkok: minder lenen en proberen van iedere verdiende gulden een kleiner deel verplicht via de overheid uit te geven. Als op die manier meer mensen aan het werk komen is dat goed voor hun levensvervulling en het spaart uitkeringen. De nadruk ligt overigens nog steeds op proberen.

Het opvallendste van de hele Prinsjesdagpraterij was dat nergens veel werd gezegd over de belangrijkste voorwaarden voor groei van de werkgelegenheid. Niet in de Troonrede en evenmin in de flarden geluid die na afloop werden voortgebracht. Al was het zeker actueel een dag nadat Hoogovens met zijn solide sociale reputatie het verlies had aangekondigd van 2300 banen, waarvan 1000 in de vorm van gedwongen ontslagen.

De vraag werd toch al steeds luider aan de regering en vooral de minister van economische zaken gesteld: na alle zorgen om Nedcar, Fokker, Daf en Philips, wat is uw industriebeleid? Moeten we ons neerleggen bij slinkse bescherming van de eigen industrie door sommige Europese landen en de onze zien uit te verkopen naar het buitenland, of kunt u onze nationale identiteit ook industrieel meer vorm geven?

Het antwoord van minister Andriessen klinkt in de Troonrede nauwelijks en in de toelichting op zijn eigen begroting betrekkelijk globaal door. Uit overtuiging èn gebrek aan geld. Sommige critici leken de afgelopen weken de RSV-achtige rampen met massale steun aan bedrijven wel eens te zijn vergeten. Het beperkte machtsvertoon bij de verkoop van Fokker aan Dasa had iets losgemaakt dat bij een volgende spectaculaire uitverkoop tot een roep om klassiek ingrijpen zou kunnen leiden. Kortom, "Excellentie, doe iets'.

Binnen het ministerie van Economische zaken wordt wel gewerkt aan een nieuw "industriebeleid', maar het zal niet lijken op wat er was. Met "aansturing' (het Prinsjesdag-woord van FNV-voorzitter Stekelenburg) van bovenaf zijn geen banen te redden of te regelen. Als niemand Fokker-100's of CD-i's wil kopen helpt daar geen industriebeleid aan.

Andriessen ziet zich voor de taak geplaatst vooral te mikken op mentaliteitsverandering. Nederland moet van een sociale risico-gemeenschap een naar buiten gerichte economische risico-gemeenschap worden. Niet een in het Haagse harmonie-circuit bepaalde "Bert-norm' zal in de toekomst bepalen hoe veel van iedere verdiende gulden wij burgers zelf mogen besteden, maar de vergelijking met landen waar Nederland mee concurreert. De uitslag van het Franse referendum maakt in dat opzicht niet zo veel uit.

De Miljoenennota van gisteren laat zien dat restauratie van de overheidsboekhouding vordert. Al worden dollarkoers, olieprijs, loon- en prijsinflatie en dat soort sleutel-variabelen stuk voor stuk riskant gunstig ingeboekt. Betere wegen en spoorlijnen, bruggen en openbaar vervoer zijn even nuttig voor de produktie van banen. Ook dat erkent de Troonrede, zij het vrijblijvend als het erom gaat de NS nieuw leven in te blazen.

In twee opzichten maakt de regering het zich te makkelijk. Het eerste is de technologie, de bron van veel nieuwe welvaart. Daar wordt lippendienst aan bewezen, maar dit praatland redt het industrieel niet als technisch talent niet meer wordt gekoesterd. Zonder produktie van hoogwaardige bèta-kennis, zonder technische ideeën en gouden handen om ze toe te passen hebben alle moderne dienstverleners weinig te doen.

De status van timmerman tot en met lasertechnoloog moet omhoog. Zolang in Delft slechts één op de tien studenten binnen anderhalf jaar voor de propaedeuse slagen, en de kwaliteit van het eindprodukt evenmin gegarandeerd is, moet Nederland niet pretenderen zelfscheppende industrieën te kunnen houden.

Dat is gisteren niet zo duidelijk gezegd. Zoals de noodzaak van een meer resultaatgerichte methode van consensus-vorming tussen overheid en bedrijfsleven onbesproken bleef. Men heeft de heren van VNO en FNV leuk over elkaar heen laten buitelen. Voor het ongeoefende oog ging het daarbij alweer om de procentjes voor volgend jaar, maar de echte vraag die hen verdeelde was: is er nog ruimte voor de klassieke uitruil van werk tegen geld, of heeft de realiteit van de Europese markt dat ritueel gewoon achterhaald?

Stekelenburg zag daarbij voorlopig geen ruimte voor een blik naar voren. Maar het kabinet kan fluiten naar zijn banengroei als het ervoor blijft terugschrikken het hopeloze gelijk van VNO-voorzitter Rinnooy Kan inzake de realiteiten van de Europese markt hardop te erkennen. Het feit dat veel werkgevers niet zitten te wachten op een centraal akkoord doet niets af aan de onvermijdelijkheid van minder Hollandocentrisme in de arbeidsverhoudingen. Dat weet het kabinet, maar het is makkelijker daar het VNO mee te laten leuren.

"De toekomst van de overleg-economie' is het zweverig klinkende thema waar de Sociaal-economische Raad dezer dagen over vergadert op verzoek van het kabinet. Tot nog toe zonder vrucht. Inzet is niet de toekomst van de SER, maar die van de industrie. Althans zolang niemand genoegen neemt met het spookbeeld "Nederland Assemblageland'. Zo essentieel als banen in deze Miljoenennota ook heten te zijn, dàt werd gisteren niet gezegd.