Vleugje postmoderne frivoliteit in nieuwe Van Dale

“Vrienden, geloof het woordenboek”, houdt Gerrit Kouwenaar ons - maar vooral ook zijn mededichters - in één van zijn verzen voor. Het is wat ironisch en anti-idealistisch bedoeld: van taal kunnen dichters leven. Zij levert brood op de plank. Dat de taal ook te wantrouwen valt, omdat zij nooit kan samenvallen met de wereld die zij denkt te beschrijven, is de misschien wel tragische achterkant van het beleden geloof.

In hun inleiding tot de twaalfde uitgave van Van Dale, Groot woordenboek der Nederlandse taal, waarin zij op heldere wijze een aantal interessante kwesties aan de orde stellen die te maken hebben met hun ideeën over lexicografie, geven de samenstellers op zeker moment ook aan langs welke wegen de woordenboekmaker tot zijn definities kan komen. Er zijn ten minste vijf soorten omschrijvingen te noemen. Maar duidelijk is in ieder geval dat woorden alleen met woorden gedefinieerd kunnen worden, dat definities zelf weer uit te definiëren woorden bestaan, en dat de werkelijke wereld - hoe kenbaar of principieel onherkenbaar die ook moge zijn - daar volledig achter verdwijnt.

Geerts en Heestermans hebben in de nieuwe Van Dale heel wat woorden opgenomen die in de elfde uitgave nog ontbraken. En de drempel die zij de nieuwkomers lieten passeren was niet erg hoog. Het zijn woorden die de bewerkers gedurende een drietal jaren met een zekere regelmaat in boeken, kranten, tijdschriften en weekbladen hebben aangetroffen, op radio of televisie en die ze om zich heen hebben gehoord. "Yuppificatie' bijvoorbeeld: "verandering van een bep. situatie door de inbreng en activiteiten van yuppies'. Dit woord, dat ik tot mijn vermaak in de nieuwe uitgave tegenkwam - het is een lust in Van Dale te lezen en te bladeren - is een uitstekend voorbeeld van wat het omschrijft. De situatie van Van Dale is veranderd: sommige woorden gedragen zich - om te spreken met de definitie van "yuppies' - als jeugdige carrièremakers: daar staan zij, als onderdeel van de Nederlandse woordenschat, in strakke pakken, met witte boorden op gestreepte hemden en blikkerende dasspelden ter hoogte van het middenrif, maar met te weinig standing om het woord "parvenu' nog te kennen.

Het is een boeiend tijdverdrijf: bedenk een woord ("regelneef', met dank aan Van Kooten en De Bie; "wokkel'; "euregio') en kijk of ook Van Dale het kent. Zelf dacht ik, in verband met het bovenstaande - over de in zichzelf ronddolende taal, die nergens de bodem van "de werkelijkheid' raakt - spontaan aan het woord "deconstructie', want die term is gangbaar geworden voor een taal- en literatuuropvatting die in het woord niet langer een stabiel en in de realiteit gefundeerd centrum van betekenis kan zien. "Deconstructie' nu is een woord dat Van Dale nog steeds niet kent. Lexicografie is weliswaar een moeilijk vak, maar kennelijk is de wanhoop van de samenstellers nooit zo hoog gestegen, dat zij aan het definiëren en differentiëren van woorden de brui wilden geven met een beroep op de bedoelde "deconstructieve' gedachten: zelfs de naam van de hen bedreigende filosofie blijkt onbekend. Van Dale is nog steeds een bastion van het humanistische denken. Wij prijzen ons gelukkig.

Over de wel opgenomen nieuwe woorden is mijn gevoelen, vrees ik, tweeslachtig. Aan de ene kant vind ik ze als nieuwkomers niet zelden onuitstaanbaar: een woord als "wokkel' - het staat inderdaad in Van Dale - is een door de zoutjesindustrie bedacht geval van onzin. Daar hadden de samenstellers niet in mogen trappen. Anderzijds kan ik mij het enthousiasme van professionele woordenvangers als Geerts en Heestermans heel goed voorstellen: voor wie de ontwikkeling van ons vocabulaire volgt, valt er allerlei merkwaardigs te registreren. Ik meen bij de samenstellers soms iets als een licht pervers plezier te bespeuren: Zie toch eens waartoe de spraakmakende gemeenschap ons dwingt. En: Wat een vreemde, zeg maar gerust "gekke' aangelegenheid is taal.

De vorige edities van Van Dale leidden veel minder snel tot een dergelijke relativering. Want dat is het per slot van rekening toch. Het canonieke en statige woord "sokkel' wordt door het klankmatig eraan verwante verzinsel "wokkel' van zijn voetstuk gehaald. Definitiever dan "kokkel' en "mokkel' dat ooit zouden kunnen. Is bij al zijn primaire humanisme toch ook niet een vleugje postmoderne frivoliteit in de nieuwe Van Dale waarneembaar?

Wie over een woordenboek schrijft, mag na de algemene opmerkingen die hij maakt, ook wel een paar details signaleren.

Zo ervaar ik het als een klein genoegen, dat het woord "vla' in Van Dale niet meer uitsluitend als aanduiding voor een "dikvloeibare, koud gegeten dessertspijs (enzovoort)' figureert, maar ook - en volkomen orthodox! - als nevenvorm van "vlaai'. Ik heb niet-streekgenoten wel eens verbaasd zien reageren, als ik liet weten dat bakker X. te Maastricht de lekkerste pruimenvla van Zuid-Limburg verkocht.

Professor Geerts en dr. Heestermans hebben het woord "vla' (in de betekenis "rond gebak van brooddeeg') in ere hersteld. In de lexicografische operatie die daarvoor nodig was, is uit het verwante lemma "vlade' niet alleen de betekenis "vlaai' verdwenen, maar ook die van "hoop koeiedrek'. Bovendien is de definitie van "vla' als gebak er in culinair opzicht sterk op vooruitgegaan. (Wie er Van Dales elfde druk bij haalt - de eerste waarvoor Geerts en Heestermans de voornaamste verantwoordelijkheid droegen - stelt vast dat de genoemde verbeteringen reeds daar werden voorbereid. Mijn ontroering wordt in niet geringe mate gevoed door het streven naar perfectie dat uit deze gefaseerde werkwijze spreekt.)

In hun inleiding spreken Geerts en Heestermans over de verhouding tussen standaardtaal, stijlregisters, vaktaal, groepstaal, dialectwoorden enzovoort. Over de vaktaal zeggen zij daar dat een vaktaalwoord zich moet hebben "losgezongen' van het beperkte gebied waarin het vroeger thuishoorde, wil het voor opneming in Van Dale in aanmerking komen. Dat mooie woord "loszingen' nu, dat zoals men weet van de dichter Nijhoff afkomstig is en in letterkundige kringen een zekere populariteit geniet, komt buiten de inleiding niet in het woordenboek voor. Losgezongen van het lexicon? Hoe mooi.