Schraalhans en de renteraket

Iedere zichzelf respecterende huishouding maakt toekomstplannen, kijkt wat die gaan kosten en hoe die kosten moeten worden gedekt. Gezinnen doen het, al gebeurt dat vaak gebrekkig op de achterkant van een enveloppe. Bedrijven doen het, verenigingen doen het, gemeenten doen het en ook het Rijk doet het. Ze maken allemaal een begroting. Het bestuur van de roeivereniging "De Paal' legt zijn begroting ter goedkeuring voor aan de algemene ledenvergadering. Onze regering legt zijn begroting in de vorm van een reeks wetsontwerpen voor aan de volksvertegenwoordiging. Dat gebeurt gewoontegetrouw op de derde dinsdag van september, Prinsjesdag. De minister van Financiën biedt de Staten-Generaal een dikke stapel papieren aan. Die stapel - voor elk departement een aparte begroting - vormt de Rijksbegroting. Daarnaast verschijnt een informatieve nota, de Miljoenennota. Die vat alles netjes samen en plaatst het voorgenomen beleid tegen de achtergrond van de economische en financiële toestand van onze economie.

De Rijksbegroting is een belangrijk stuk. Vooral omdat er zoveel geld omgaat. Grofweg tweederde van het totale verdiende inkomen wordt bij de burgers weggehaald en vervolgens weer op een of andere manier naar ze teruggesluisd. Die operatie laat diepe sporen na in de economie. Vandaar dat in de media breed wordt uitgemeten hoeveel tienden Pietje erop achteruit gaat en op welke verbeteringen de basisschool in Tjerkweerda mag rekenen. Het valt vaak niet mee de grote lijnen te zien. Laten we een poging wagen.

Figuur 1 geeft een overzicht van de Rijksbegroting 1993 in vogelvlucht. De linkerstaaf laat een uitgaventotaal zien van 234,6 miljard gulden. In de rechterstaaf staat het ontvangstentotaal van 189,7 miljard gulden. Er komt dus beduidend minder binnen dan er uitgaat. Anders gezegd, er wordt een begrotingstekort geraamd van 44,9 miljard gulden. De minister van Financiën moet aangeven hoe hij dit gat wil vullen. Met een deel daarvan heeft hij weinig moeite. Hij leent de bedragen die hij dit jaar moet aflossen op de staatsschuld, meteen weer terug. "Heren, hier zijn 25,2 miljard gulden aflossing die u van mij krijgt. Maar u vindt het zeker wel goed dat ik ze voor het komende jaar nog even van u leen.' Tot dusver gingen de uitleners daarmee akkoord. De Staat der Nederlanden is immers goed voor zijn geld.

Nadat de minister op deze manier ruim de helft van zijn financieringsbehoefte heeft gedekt, rest hem nog 44,9 - 25,2 = 19,7 miljard: het financieringstekort. Daarvoor gaat hij de kapitaalmarkt op. Hij schrijft Staatsleningen uit en vergroot daarmee de overheidsschuld.

Figuur 2 laat het verloop van de overheidsschuld zien, uitgedrukt in procenten van het bruto binnenlands produkt. Over die schuld wordt nogal eens op een wat demagogische manier gesproken. Sommige mensen kunnen bij voorbeeld sappig vertellen met hoeveel schuld op z'n breekbare nekje iedere nieuwgeborene in ons land het daglicht aanschouwt. De voorlichters van Financiën voeren dit jaar in hun Magazine Per Saldo een omaatje op dat nog nooit in haar leven een cent heeft geleend en plots te horen krijgt dat ze 23.000 gulden schuld heeft (350 miljard gedeeld door 15 miljoen mensen).

Nu is onze overheidsschuld op het moment inderdaad behoorlijk hoog. Maar zolang we de aflossing en rente kunnen opbrengen, hoeven we daar niet wakker van te liggen. Al past hier wel een kanttekening. We kunnen rente en aflossing opbrengen, maar dat gaat wel ten koste van veel mooie dingen die de overheid voor de burgers zou moeten doen.

Figuur 3 laat zien hoe de post rente op de staatsschuld de laatste jaren als een raket door de begrotingen omhoog stuift. Nog even en we betalen evenveel aan rente als aan onderwijs. Die hoge rente is eigenlijk weggegooid geld. We brengen het met z'n allen op en het wordt betaald aan de bezitters van de door de overheid uitgeschreven staatsleningen. Voor zover dat onze pensioenfondsen zijn, komt het geld weer langs een omweg bij ons zelf terug. Voor zover de staatsobligaties door buitenlanders zijn gekocht, verdwijnt de rente over de grens. Maar waar het om gaat, is dat de overheid voor dat rentegeld geen zwembaden kan laten bouwen, geen scholen, het wegennet niet kan verbeteren, geen stadsvernieuweing kan betalen en dergelijke. Een hoge schuld is dus vooral hinderlijk omdat de rentepost de overige uitgaven verdringt. Het is zaak de schuld te verkleinen. En dat betekent weer dat de jaarlijkse toeneming van die schuld, het financieringstekort, omlaag moet. Ofwel: uitgaven en ontvangsten moeten beter in de pas lopen. Omdat we weinig voelen voor het vergroten van de ontvangsten door bij voorbeeld belastingverhogingen, blijft niet veel anders over dan het verlagen van de uitgaven: bezuinigen. Bij de overheid is schraalhans voorlopig nog keukenmeester.