Raad van State waarschuwt voor onzekerheden in rijksbegroting

DEN HAAG, 15 SEPT. De Raad van State laat zich in zijn jaarlijkse commentaar op de Miljoenennota over het algemeen positief uit over de aangekondigde plannen van de regering. Het college constateert met voldoening dat de begroting op een aantal hoofdpunten zoals de hoogte van het financieringstekort, van de collectieve lastendruk en de ruimte voor investeringen in infrastructuur en milieu, in overeenstemming is met de voornemens uit het regeerakkoord.

Niettemin vindt de Raad dat de plannen door een aantal “forse risico's en aanzienlijke onzekerheden” worden bedreigd. De begroting heeft volgens de Raad nauwelijks reserves zodat de financiële positie “zeer kwetsbaar zal zijn voor eventuele tegenvallers”. Daarbij noemt hij onder meer de internationale conjunctuur, de rentestand, de koers van de dollar en de prijs van de ruwe olie.

Ook de schatting van een aantal inkomsten zoals de verkoop van schoolgebouwen en de opbrengst van de bestrijding van fraude bij belasting en sociale uitkeringen, vindt de Raad nogal optimistisch uitvallen. Daarom betwijfelt hij of de extra bezuinigingen van 215 miljoen gulden waartoe de regering op het laatste moment heeft besloten, wel voldoende zijn.

Ronduit bezorgd toont de Raad zich over de ontwikkeling van de inflatie. De combinatie van min of meer forse loonstijgingen met een zwakke conjunctuur kan gemakkelijk bijdragen aan het opjagen van de loon-prijsspiraal. Bestrijding van de geldontwaarding vraagt volgens de Raad extra aandacht, omdat het middel waarvoor dit jaar is gekozen - een verlaging van het btw-tarief - niet elk jaar kan worden gebruikt.

Het financieringstekort dient verder te worden teruggebracht, vindt de Raad, ook na 1994. Wegens de hoge rentelasten geldt dit ook wanneer de EMU-afspraken zoals die nu voorliggen, niet zouden doorgaan. Daarbij vraagt het college zich af of de aardgasbaten niet mede zouden moeten worden gebruikt om de staatsschuld te verkleinen, in plaats van ze voor een apart Aardgasfonds te bestemmen zoals het kabinet wil.

Met betrekking tot de inrichting van nieuwe fondsen zoals het Aardgas-, Infrastructuur- en Groenfonds vraagt de Raad van State zich af of hiermee de rijksbegroting als geheel niet te veel aan flexibiliteit verliest. Het geld in deze fondsen wordt bij voorbaat onttrokken aan de algemene afweging van inkomsten en uitgaven van de overheid. De toch al geringe ruimte in de begroting die de Raad eerder constateerde, wordt zo verder verkleind.

De Raad van State onderschrijft de prioriteit die het kabinet geeft aan vergroting van werkgelegenheid en arbeidsparticipatie. Het college is vooral bezorgd over de teruggang in investeringen gedurende dit jaar die in de Macro Economische Verkenningen (MEV) voor het eerst sinds 1982 worden gesignaleerd. De Raad beveelt aan om zo nodig extra fondsen beschikbaar te stellen voor een betere koppeling van gegevens over de precieze aard en omvang van de werkgelegenheid, de geregistreerde werkloosheid, het aantal werkzoekenden zonder baan en de werkloosheidsuitkeringen.

Wat betreft het inkomensbeleid is het de Raad opgevallen dat het opnieuw gedeeltelijk schrappen van de inflatiecorrectie niet specifiek wordt gemotiveerd. Bovendien wijst het college erop dat de beperking van de inflatiecorrectie zorgt voor een verdere vergroting van de zogeheten wig: het verschil tussen het bruto en netto inkomen. En dat terwijl het kabinet elders in de begroting zelf constateert dat die wig nu al te groot is.

De Raad staat kritisch tegenover de introductie van milieuheffingen. Hij vraagt zich af waarom het vorig jaar geuite voornemen om de opbrengst te bestemmen voor verlichting van de arbeidslasten en niet voor dekking van de uitgaven, niet in de begroting is terug te vinden. De regering antwoordt hierop haar standpunt op de adviezen van de commissie-Wolfson te willen bepalen. Voorts schrijft de regering dat de nieuwe verbruiksbelastingen op milieugrondslag allereerst bedoeld zijn om algemene middelen te verwerven en pas op de tweede plaats als instrument om de omgang met het milieu te beïnvloeden.

De Raad van State toont zich sceptisch over de invloed van de heffingen op het gedrag van burgers, vooral wanneer aanpassing van gedrag nauwelijks mogelijk is zoals bij afval. Ook wijst de Raad erop dat de milieuheffingen een inkomensbeleid ten gunste van de minima moeilijker maken. Ten slotte vreest de Raad van State dat de heffingen de internationale concurrentieverhoudingen zullen verstoren.