Opheffen donor-anonimiteit zal spermadonors afschrikken

Spermadonors dienen zich verantwoordelijk te voelen voor hun door inseminatie ontstane nageslacht. Dit stelt profesoor Hoksbergen in zijn artikel "Spermadonoren hoeven zich niet te laten afschrikken' (NRC Handelsblad, 11 augustus) Het komt er op neer dat spermadonors geen bezwaar moeten hebben tegen een eventuele ontmoeting met deze nakomelingen. De kans op zo'n ontmoeting zou klein zijn omdat niet meer dan één op tien personen die door donorinseminatie zijn ontstaan, een ontmoeting met de donor zou vragen. Bovendien zou zo'n ontmoeting pas dertig à veertig jaar na de geboorte van de nakomeling gewenst worden.

Deze visie lijkt mij te optimistisch. Van één spermadonor ontstaan gemiddeld tien kinderen. Dat betekent dus dat elke spermadonor er rekening mee moet houden na zijn vijftigste jaar geconfronteerd te worden met een onbekende nakomeling. Maar dat zou volgens prof. Hoksbergen niet zo erg zijn want deze nakomeling zou het kennismakingsbezoek met veel tact omkleden.

Ik vrees dat al deze geruststellende voorspellingen weinig potentiële spermadonors zullen aanspreken. Waarom zouden ze risco's lopen, ook al zijn die risico's misschien maar klein? Wettelijke opheffing van de bestaande spermadonor-anonimiteit betekent vrijwel zeker een sterke daling van het aantal spermadonors in Nederland. En dat aantal is nu al te klein om op optimale wijze in de behoefte te kunnen voorzien. Het valt te betwijfelen of zich voldoende spermadonors zullen melden, als ze weten dat hun persoonsidentificerende gegevens tachtig jaar lang bij een Centrale Stichting bewaard blijven, met het doel donorkinderen van zestien jaar en ouder inzage te kunnen geven in deze gegevens.

In Zweden heeft de wettelijk verplichte spermadonor-registratie in 1985 tot een drastische daling van het aantal donors geleid. Vóór 1985 werden jaarlijks ongeveer tweehonderd kinderen via de hulp van de Zweedse inseminatiecentra geboren, in 1988 en 1989 was dat aantal nog slechts dertig. Veel Zweedse echtparen gaan sinds 1985 naar Noorwegen, Denemarken en Finland voor donorinseminatie; in deze landen bestaat wel donor-anonimiteit. Een intensieve wervingscampagne heeft het aantal spermadonors in één van de Zweedse centra (Malmö) weliswaar weer doen stijgen, maar dat garandeert uiteraard niet dat dit ook in Nederland zal lukken. Bovendien zullen spermadonors die vaderschap accepteren door veel kandidaat-ouders niet gewenst worden. Zij, die het kunnen betalen zullen dan voor donor-inseminatie naar landen gaan waar spermadonoranonimiteit gegarandeerd is (onder andere België, Engeland, Denemarken).

Van de echtparen die om financiële redenen van de niet-anonieme donors in Nederland gebruik zullen moeten maken zal waarschijnlijk een groot aantal hun kinderen niet willen inlichten over hun donor-origine, uit vrees dat deze kinderen later "hun' vader willen leren kennen. De tendens tot openheid over donor-inseminatie van de laatste jaren, door voorstanders van die openheid als een vooruitgang gezien, zal op deze wijze negatief worden benvloed. Echtparen met donorkinderen in mijn praktijk die voor openheid hadden gekozen, zeiden allen dat ze dit niet zouden hebben gedaan als ze er niet zeker van waren dat donor-anonimiteit was gegarandeerd. De onmogelijkheid dat de kinderen ooit met hun donor(s) "over de vloer' zouden kunnen komen gaf hun de moed de kinderen in te lichten over hun ontstaanswijze.

Prof. Hoksbergen spreekt in zijn artikel over 3500 kinderen die zouden zijn ingelicht over hun ontstaan door donor-inseminatie. Hij baseert deze bewering waarschijnlijk op een door mij in 1991 verricht oriënterend onderzoek waaruit bleek dat in Nederland en Vlaanderen ten minste 3500 personen in de leeftijdsgroep van 13 tot 22 jaar door donorinseminatie zijn ontstaan. Hoeveel van deze 3500 personen op de hoogte zijn gesteld van hun ontstaanswijze werd in dit onderzoek niet vastgesteld. Dit kon ook moeilijk omdat men daartoe alle betreffende ouders had moeten enquêteren. En deze ouders willen graag met rust worden gelaten. Wel is uit een schriftelijke enquête in 1980 bij 134 Nederlandse echtparen met één of meer donorkinderen van twee tot zes jaar gebleken dat minder dan vijf procent van plan was hun kinderen later in te lichten.

Niet bekend

Naast de kleine groep kinderen die het erg belangrijk vindt hun genetische vader te kennen, in de hoop dat er een vader-kind relatie zal ontstaan, is er waarschijnlijk een grotere groep die alleen maar nieuwsgierig is naar hun afstamming. Het is mogelijk dat een dergelijke nieuwsgierigheid tot een obsessie wordt en men niet eerder tevreden is voor het gestelde doel wordt bereikt. Maar wat is daarvan uiteindelijk de winst?

Uit ervaringen van geadopteerden is gebleken dat de hooggespannen verwachtingen over de resultaten van een ontmoeting met de natuurlijke moeder en/of vader dikwijls een desillusie wordt. Waarom zou het voor donorkinderen dan van zo groot belang zijn om hun genetische vader te leren kennen? Moet daartoe een Wetgeving tot stand komen waarvan bij voorbaat vast staat dat een thans goed lopende en gewaardeerde vorm van hulpverlening aan kinderloze paren in gevaar wordt gebracht? De laatste maanden krijg ik veel echtparen op het spreekuur die één donorkind hebben en angstig zijn dat het hun onmogelijk zal worden gemaakt nog een tweede kind door donorinseminatie te verkrijgen. Vaak wordt het eerste kind meegebracht, meestal een kleuter maar soms nog een baby. Het is hartverwarmend om te horen hoe gelukkig deze mensen zijn dat ze in de familie- en vriendenkring als normale ouders kunnen functioneren. Maar zal er nog mogelijkheid zijn voor een tweede kind door donorinseminatie? Of zal de nieuwe Wet van kracht zijn geworden voor zij aan de beurt zijn?