Nieuwe graadmeter

In de Sociale Nota 1993, die als bijlage bij de begroting van het ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid is gevoegd, stellen minister De Vries en staatssecretaris Ter Veld invoering van een nieuwe norm voor. Deze sociale-zekerheidsquote (Szq) zou kunnen worden gehanteerd als graadmeter voor de ontwikkeling van de sociale zekerheidsuitgaven. De Szq, die zowel de door premies als via de rijksbegroting gefinancierde sociale zekerheidsuitgaven omvat, krijgt dezelfde grondslag als de collectieve lastendruk en het financieringstekort.

Daardoor krijgt de nieuwe norm in de politieke discussie ook een overeenkomstige betekenis. De Szq geeft aan welk deel van het nationale inkomen wordt besteed aan sociale zekerheid.

Evenals bij het financieringstekort en de collectieve lastendruk kan bijvoorbeeld aan het begin van een kabinetsperiode een verantwoord geachte norm voor de Szq worden vastgesteld. Vervolgens kan de feitelijke ontwikkeling worden vergeleken met die norm.

De componenten van de Szq maken de samenhang zichtbaar tussen het sociale zekerheids-, macro-economische en arbeidsmarktbeleid. De hoogte van de Szq wordt bepaald door de verhouding tussen de aantallen inactieven en actieven en door het al dan niet koppelen van de uitkeringen aan de contractlonen.

Het voorstel van de bewindslieden lijkt alleszins de moeite van het overwegen waard. De nieuwe norm voor de ontwikkeling van de sociale zekerheid reikt de discussie over de onvermijdelijke herijking van het stelsel een handvat aan. De quote is beter bruikbaar dan de formule inactieven/actieven die nu wordt gehanteerd bij de vraag of de uitkeringen de contractlonen al dan niet mogen volgen. De nieuwe graadmeter is in elk geval beter dan het noemen van een willekeurig bezuinigingsbedrag.

De bewindslieden wijzen er overigens terecht op dat de politieke normering - de vraag dus langs welke wegen de sociale-zekerheidssector zich in de toekomst moet gaan ontwikkelen en of bepaalde accenten moeten worden gelegd dan wel verlegd in de functies van de sociale zekerheid - vooraf gaat aan het gebruik van de Szq als beleidsnorm in een financieel-economisch kader. Met andere woorden: eerst moet worden vastgesteld waar we met onze sociale zekerheid heen willen voor we uitspraken doen over een verantwoord geachte ontwikkeling van de Szq.

De nota draagt zelf bouwstenen aan voor de discussie over een fundamentele aanpassing van het stelsel van sociale zekerheid. Een van de kernthema's daarbij is de afbakening van publiek en privaat domein. In de nota worden de drie bekende varianten besproken: een ministelsel, een geprivatiseerd stelsel en een basisstelsel. In het eerste beperkt de bemoeienis van de overheid zich tot het traject op minimumniveau. In het tweede is zij alleen nog verantwoordelijk voor de bijstand. De burgers moeten zich particulier verzekeren tegen inkomensderving door ziekte, werkloosheid en arbeidsongeschiktheid. In het basisstelsel voorziet de overheid niet alleen in de minimale behoeften, maar draagt zij ook nog verantwoordelijkheid voor een uitkering boven het minimum, die is afgeleid van het vroeger verdiende inkomen.

Bij de verwachte besparingen die een ministelsel en vooral een geprivatiseerd stelsel zouden opleveren, tekenen de bewindslieden aan dat de financiële gevolgen geheel afhankelijk zijn van het veronderstelde gedrag van de sociale partners. Zouden zij de inkrimping van de wettelijke sociale zekerheid ongedaan willen maken door bovenwettelijke uitkeringen, dan worden de besparingen geheel teniet gedaan. De veronderstelling dat de sociale partners geen bovenwettelijke aanvullingen zullen regelen, lijkt de minister en staatssecretaris terecht erg onrealistisch.

De noodzaak om het soms nog als een sociaal paradijs omschreven Nederlandse stelsel meer van deze wereld te maken, wordt dringender door de totstandkoming van de Economische en Monetaire Unie. De Vries en Ter Veld maken in hun nota duidelijk wat hun visie, of liever die van de tegenwoordige CDA/PvdA-coalitie, is op de toekomst van dat stelsel binnen een zich integrerend Europa. Zij zijn er vooral op uit de activerende werking van het stelsel te versterken door het beleid te richten op vergroting van de arbeidsparticipatie. Deze functie van het sociale zekerheidsstelsel dient in hun ogen duidelijk voorrang te krijgen op die van inkomensbescherming. In die opvatting past ook een inkomensbeleid dat grotere inkomensverschillen accepteert.

Hierop kan het nodige worden afgedongen. Want welke mate van denivellering zijn de sociaal-democraten bereid te aanvaarden? Gaan zij straks mee met minister-president Brinkman als die op de AOW wil bezuinigen?

De nota legt overigens terecht de nadruk op de samenhang tussen inkomensbeleid, arbeidsmarktbeleid en sociale-zekerheidsbeleid. In dit opzicht biedt de Sociale Nota 1993 een uitstekende basis voor een werkelijk fundamentele discussie.