Het wilde Oosten en de Trabi

De Oostduitsers willen wat te lachen hebben, ondanks alle ellende zoals rassenrellen en economische malaise. Sinds enkele weken biedt de met Westduits geld en Oostduitse acteurs gemaakte film Das War Der Wilde Osten - Go Trabi Go II de zo gewenste "comic relief'.

Duizenden ex-DDR-burgers, van jong tot oud, stromen naar de bioscopen in de nieuwe deelstaten om de film te bekijken, waarin de gevolgen van de hereniging in Oost-Duitsland op de hak worden genomen. Eindelijk kunnen de "Ossies' (de denigrerende benaming voor Oostduitsers) eens lachen om iets waar ze eigenlijk zeer treurig over zijn: die arrogante "Besserwessies' (Westduitsers) die in de voormalige DDR snel en met harde hand de vrije-markteconomie willen invoeren. En op zo'n manier dat vooralsnog alleen zij, de Wessies en niet de Ossies er beter van worden. Dat steekt. Dus ging er in de bioscoop in Dresden, waar ik de première van de film meemaakte, gejuich op toen een Oostduits omaatje tomaten gooide naar een chique Westduitse dame, die na de hereniging ineens de huiseigenaar bleek te zijn.

Dat het filmverhaal mager is en zich - zeker naar Westerse maatstaven - traag ontrolt doet er niet toe voor het Oostduitse bioscooppubliek. De film bevat alle goede ingrediënten en heeft de juiste toon.

De eigenlijke hoofdrol in de film is weggelegd voor een krakkemikkig klein Oostduitse autootje, van het merk Trabant, een soort hoestbui op wielen. De Trabant is zo langzamerhand een symbool voor de hele DDR-maatschappij en de magere Oostblok-economie. De meeste Oostduitser begeren een tweedehands auto uit het Westen of Japan, maar een Trabant noemen ze nog altijd liefdevol een "Trabi'.

De Trabi in de film is van de familie Struutz, vader, moeder en dochter, die in een klein Saksisch dorpje bij Dresden wonen. Vlak na het opengaan van de Oostduitse grens, drie jaar geleden, maakte de Westduitse film en tv-produktiemaatschappij Bavaria (ondermeer van Fassbinders Berlin Alexanderplatz) de eerste film over dit drietal met hun Trabi: Go Trabi Go! heette die, en was in Oost-Duitsland een enorme hit. Zo euforisch en vrolijk als de sfeer in die eerste Trabi-film was, zo wrang en hilarisch is die in deze vervolgfilm Go Trabi Go II. In de eerste film ging de familie Struutz voor het eerst met vakantie in het buitenland, genietend van de nieuwe vrijheid.

In de Go Trabi Go II keert de familie terug uit Italië, niet vermoedend welke enorme veranderingen zich inmiddels in hun oude DDR hebben voltrokken. Het begint er al mee dat het ze opvalt dat de lucht boven Dresden zo blauw en schoon is: de vervuilende fabrieken liggen stil. Wrakken van Trabantjes staan langs de weg. Hun huis wordt voor hun ogen opgeblazen, omdat er een nieuwe golfbaan moet komen - met zestien holes: dat zijn de eisen van de "Nieuwe Tijd'.

Gelukkig erft pa Udo Struutz, leraar Duits, een bedrijf, dat na de hereniging weer rechtmatig eigendom is geworden van een oude, geëmigreerde oom. Het is een tuinkabouterfabriek. Dan volgen voor de Oostduitsers komische verwikkelingen als pa Struutz probeert ondernemer te worden. Hij gaat zwetend in een nieuw pak in de slag met de organisatie die de privatisering en sanering ("Abwicklung') van staatsbedrijven regelt, de Treuhandt Anstalt. Met hulp van een Westduitse scharrelaar, die naar Dresden is gekomen om met rood-zwart-goudgekleurde condooms geld te verdienen, slaagt hij er in om in New York, het Mekka van het kapitalisme, een order binnen te slepen voor zijn noodlijdende tuinkabouterbedrijf. “Ach, New York is net zoiets al Dresden,” bluft hij, tot groot vermaak van de Oostduitse kijkers.

Zijn succes dankt Udo (gespeeld door de Dresdner acteur Wolfgang Stumph) als onhandige blunderaar voornamelijk aan het feit dat hij als leraar Duits praktisch het hele oeuvre van Goethe uit zijn hoofd kent, en met welgekozen citaten een Westduitse bankier voor zich weet te interesseren. Zijn vrouw Rita Struutz (Marie Gruber) is daarvan niet zo onder de indruk. Als hij een nieuw pak moet passen, schampert ze: “Wat doe je toch zo lang in dat pashokje.. Dat kent de halve Goethe uit zijn hoofd, maar kan nog niet eens een broek aantrekken!”

Uiteindelijk na veel tegenslag keert alles voor pa Struutz zich ten goede. Zijn vrouw, die flirtte met een "Besserwessie' keert bij hem terug, zijn dochter, die even in een nieuwe seksclub ging werken (ongehoord in de DDR-tijd), komt weer thuis. En pa Struutz krijgt zijn Trabi terug, die aanvankelijk door skinheads van een brug in Dresden op een oudijzerschuit was gegooid. Happy End: een Oostduitser die geslaagd is als moderne ondernemer in de "Nieuwe Tijd'.

Daar lusten de Oostduitsers wel pap van, vooral omdat in werkelijkheid de werkloosheid groeit, en het magische economische succes helemaal niet zo snel komt als verwacht. Zowel Wolfgang Stumph (pa Struutz) als Marie Gruber (ma Struutz) hebben in verschillende interviews laten weten dat ze hopen dat de film "een brug' tussen Oost- en Westduitsers zal slaan. Maar of de Westduitsers met net zoveel liefde een opgekalefaterde Trabi bezien als de Oostduitsers, lijkt me zeer de vraag.