Het peilloze zwijgen van de vissen De Revisor ...

Het peilloze zwijgen van de vissen De Revisor 1992/4. Querido, 88 blz. ƒ 16

Postmodern fatsoen De XXIe eeuw, 1992/1. Bert Bakker, 159 blz. ƒ 17,50

Teksten en tekeningen Hollands Maandblad 1992-8/9. Veen, 66 blz. ƒ 12,50

Het peilloze zwijgen van de vissen

Hoe veel grafgedichten Jan Kuijper inmiddels al geschreven heeft! In de nieuwe Revisor staan er weer vier, strak gevormd, op de tombes van Pindarus, Shakespeare, Chénier en Sylvia Plath. “o God, er is geen god maar een gedicht”, zo speelt hij bij Pindarus even met Multatuli. De achttiende-eeuwer Chénier krijgt eveneens bezoek van andere schrijvers, zoals Stendhal en De Sade, maar ook God en de Duivel haalt Kuijper tevoorschijn. Chénier werd tijdens de Franse Revolutie onthoofd - “Ik ben goddelijker dan de markies/ door mij met huid en haar tot iets te lenen/ wat die alleen zijn pen laat ondergaan./ Het rood en het zwart. Ik is het die kies.”

Kees 't Hart opent met zijn verhaal "De optocht' waarin hij Andreas Burniers sociologische begrip "zwembadmentaliteit' verder uitwerkt. “Niemand vraagt zich af waarom je met water in de buurt moet schreeuwen, het gaat vanzelf, in het water, in de kleedhokjes, tijdens de kaartverkoop. En maar schreeuwen. Schreeuwen om overal van af te zijn, daar kan ik nog wel inkomen, een seconde of drie, dat valt nog te verdragen, maar bij ons in het zwembad schreeuwen ze anderhalf uur aan een stuk.”

Het fragment van 't Hart is een beetje precieus maar wel overtuigend; ook zonder dat er iets bijzonders gebeurt houdt hij de aandacht van de lezer gespannen.

Naast de huiselijke, goed verstaanbare gedichten van Leo Vroman zijn die van B. Zwaal raadselachtig, ambitieus en soms wat te gewild: “sterk valt het staan/ van de bomen ons tegen” of “het bos botert niet met de bijl”. Bij Stefaan van den Bremt vinden we Thor en Boeddha. Weer minder hoog grijpen Co Woudsma en Hans Berghuis, hoewel ook de laatste de schepper aanroept:

God geef geen taal

aan de vissen, zij verdienen het lijden niet

noch de pijn van het woord, laat hen bestaan

in het peilloze zwijgen.

Floor Petters vertelt met "In je hok' een sprookje over de jonge vrouw Osten-Sibel met haar groene beer en haar vrienden Luchtbus, Overmoedig, Het Ideaal, Raapachtige, en Onderwind - “Het kalfje dat nu niet alleen door de boer maar ook door zijn zeven knechten getrokken werd kwam naar buiten. Het viel met een plof op de grond en was op slag dood. De koe weende, viel toen boven op haar kalf en was ook dood.”

De Revisor 1992/4. Querido, 88 blz. ƒ 16

Postmodern fatsoen

De XXIe eeuw is niet bang voor grote onderwerpen. Vadermoord, ironie, engagement, en nu zoiets vaags als "aanwezigheid'. Onder gastredactie van Maria van Daalen en Huub Beurskens stelt men zich vragen over de plaats van het Woord, de taal, in het post-religieuze tijdperk. Als er geen vanzelfsprekend verband meer is tussen de taal en de werkelijkheid, wat drijft dan de schrijvers?

Arjen Duinker mag openen met een lang gedicht, "Gistfabriek': “Vlakbij het station,/ In een portiek, wachtte Nol de journalist/ Die een groot geheugen heeft voor niemendalletjes./ Hij keek streng en zei "De regen maakt me bedroefd./ Alsjeblieft, verzin iets vrolijks!' (-) Ik verzonk in gepeins, onnozelste der bezigheden,/ En zocht in de uitgestrekte en eindeloze wereld achter de ogen,/ Die wereld waarvan men zegt dat zij grotere diepten kent/ Dan de wereld ervoor,/ Naar een afdoende verklaring./ Zonder gekheid, ik hield het drieënhalve minuut vol.”

Beurskens schreef een beschouwing over "De kunst van het waarnemingsvermogenbeheer', waarin hij zich opstelt als een oude brombeer die moppert over de uitwassen van televisie, kunst (de hype van Keith Haring), en de bestsellercultus. Maar vooral de kunst: “Een kunst die alleen nog maar op de kunst reageert. In deze lijkt de moderne kunst op een hond die alle aandacht voor zijn omgeving heeft verloren en als een bezetene rondtollend in zijn eigen staart probeert te happen.”

Beurskens verwacht geen heil van het "collagerende' postmodernisme, niet van Maximalen, niet van straatrumoer of After Nature (hype), maar: “Als een kunstenaar al een taak heeft, dan is het deze: een aanwezige te zijn. (-) De tijd zorgt er zelf wel voor zich als tijd uit te drukken.” Daar schieten we niet veel mee op. “De aanwezige keert terug naar het gebruik van zijn zintuigelijkheid om op organologische wijze de wereld te beleven.”

Marc Reugebrink noemt "postmodern fatsoen' een contradictio in terminis en verdedigt een hyperindividualistisch kunstenaarschap, zowel actief als passief. “Ik zet "mijn' Rimbaud in tegen die van de krant, "mijn' Du Perron tegen die uit de literatuurgeschiedenissen.”

"Kennisgeving' van Maria van Daalen is een mooi liefdesverhaal dat vooral over pijn gaat. En over schrijven en de werkelijkheid. “Elk woord dat ik spreek of schrijf snijdt zich los van mijn vlees; mijn teksten blijven achter als de huid van een vervelde slang. De slang wordt groter, verlengt zich; ik groei nu even snel als ik verval. (-) Nu weet ik waar het pijn doet, en hoe. Ik zal het uitbenen tot op het bot. Pijn is het enige dat ik werkelijk heb, omdat ik het ben.”

Min of meer los van het thema staat er ook nog voldoende interessants in dit nummer. Jean Améry over de menselijke behoefte aan "Heimat', Willem Bijsterbosch over de begrafenis van een oude hond en zoals altijd de jongensliefde, gedichten van Michaël Zeeman, Hans Kloos vol bewondering over de lichtheid van Bert Schierbeek. “Hij bevestigt de aanwezigheid van de mensen en de dingen die elders vaak verdwijnen onder de aanwezigheid van de schrijver.”

De XXIe eeuw, 1992/1. Bert Bakker, 159 blz. ƒ 17,50

Teksten en tekeningen

“Woorden hebben niet voor iedereen dezelfde betekenissen, en onze verbeeldingswerelden verschillen van elkaar. Waarom zouden mijn verzinsels, op uw verbeelding geprojecteerd, er net zo uitzien als in mij?” Holland Maandblads J.J. Peereboom zette een projectje op waarbij vijf illustratoren een tekening maakten bij een door Peereboom speciaal voor deze gelegenheid geschreven verhaal, "Het garagepad', en drie anderen een korte beschouwing hielden over de relatie tekst-tekening. Het verhaal is aardig maar mist een pointe, wat in dit geval niets geeft. De tekeningen, van bekende gasten in dit tijdschrift: Mart Kempers, Peter van Hugten, Jaap Hillenius, Karel Labey en Ronald Tolman, zijn volkomen verschillend. Mochten ze allemaal maar één illustratie inleveren? Of koos de redacteur en schrijver er van ieder een uit?

Volgens kunsthistoricus D. Kraaijpoel leent scenario-achtige "beeldende literatuur' zich wel voor op de gebeurtenissen toegesneden illustraties, maar lyrische en psychologische niet. De dichter Jan Eijkelboom vindt het jammer dat, buiten de kinderboeken, tekst en tekening elkaar niet langer opzoeken. De twee hebben elkaar eenvoudig niet meer nodig, stelt hij: een goed verhaal heeft geen illustraties nodig en een goed tekenaar geen verhaal.

Dat niet-nodig toch verrukkelijk kan zijn, bewijst het laatste boek van Patrick Süskind, over de deerniswekkend eenzame Mijnheer Sommer, een boek dat werkelijk op ideale wijze geïllustreerd werd door Sempé. Prachtig.

Volgens Tom van Deel kunnen schrijvers het gewoon niet goed hebben dat een tekenaar zich met hun boek bemoeit - “Zodra de beeldende kunst zich mengt met de literatuur treedt die niet meer puur op en wordt de aandacht verdeeld over twee kunsten”. Maar: “Schrijvers mogen huiveren, lezers krijgen meer en aardig werk te doen, wanneer ze een geïllustreerd boek lezen”.

Pieter Boskma, v.h. Maximaal en nog steeds schreeuwerig, mocht met zijn dreundichten in het Hollands Maandblad: “slechts overjarig minimalen dronken bourbon in de bunker/ van de goeie ouwe tijd vol bloem en bleke facie,/ pooiers der vooruitgang in een betonnen cadillac.”

Hollands Maandblad 1992-8/9. Veen, 66 blz. ƒ 12,50