Het kabinet Lubbers-Kok biedt nu ruimte voor loonmatiging

“Nu zijn de sociale partners aan zet”, zei minister De Vries (sociale zaken) bij de toelichting op zijn begroting. “Maar we voelen weinig voor wensenlijstjes van de sociale partners”, voegde zijn collega Kok (financiën) er enkele uren later aan toe. De ministers voelen zich zeker van hun zaak. De voorwaarden om de loon-prijsspiraal te doorbreken zijn geschapen. De Vries: “De collectieve lastendruk gaat omlaag, de koopkracht van de werknemers gaat omhoog. Er is nu ruimte voor loonmatiging”. Kok: “Matiging is, nu het ruwer weer wordt, in ieders belang”.

De koopkracht van de modale werknemer stijgt volgens het Centraal Planbureau volgend jaar met een anderhalve procent. Mensen met bijstand, AOW of minimumloon blijven in 1992 en 1993 min of meer stabiel. Dan, zo redeneert Kok, mag ook Jan Modaal toch best wat inleveren?

Sinds De Vries dit voorjaar in het Groningse Middelstum ondubbelzinnig aantoonde hoezeer overheidslasten de looneisen opschroefden, speelt de collectieve lastendruk in het "kabinetsdenken' een cruciale rol. De som van premies en belastingen, uitgedrukt als percentage van het nationale inkomen, steeg volgens de Miljoenennota van 52,3 procent in 1990 naar 54,0 procent in 1991 en 53,6 procent in 1992.

Minister Kok zorgde echter met zijn "kasschuiven' voor vertekeningen; volgens het CPB bedroeg de feitelijke lastendruk in 1990 51,6 procent, in 1991 52,9 procent en in 1992 53,9 procent. Zo beschouwd volgt pas volgend jaar de eerste daling, tot 53,1 procent. Toch verwacht het Planbureau nog altijd dat de marktlonen in 1993 met 5 procent zullen toenemen. “Dat zou toch best eens wat minder kunnen zijn”, luidde de boodschap van Kok en De Vries.

De daling van collectieve lastendruk is het gevolg van de BTW-verlaging met één procent per 1 oktober naar 17,5 procent. Overigens staan daar lastenverzwarende maatregelen ter grootte van 2,6 miljard gulden (motorrijtuigenbelasting, dieselaccijns, tabaksaccijns en milieubelasting) tegenover. De druk van de loon- en inkomstenbelasting gaat iets omlaag: de belastingschijven worden weliswaar niet volledig voor de inflatie gecorrigeerd (drukverzwaring) en het huurwaardeforfait gaat omhoog (gelijk op met de huren), maar die belastingverhogingen wegen minder zwaar dan de verhoging van de belastingvrije voet. Bovendien sluit het Planbureau niet uit dat de sociale premies met een half procentpunt omlaag gaan, mits het beleid om de arbeidsongeschiktheid en het ziekteverzuim te bedwingen zoden aan de dijk zet.

Het kabinet presenteert dit jaar voor het eerst een "Sociale Nota'. Centraal daarin staat het bevorderen van de arbeidsdeelname, met extra aandacht voor de lager opgeleiden: de onderkant van de arbeidsmarkt. Onder de laag opgeleiden jonger dan 65 jaar is het aantal mensen met een uitkering even groot als het aantal mensen met werk, tegen één op vier voor de hogere opleidingsniveaus. Nederland is wat dat betreft uniek. Het werkloosheidspercentage voor de laag opgeleide groep is tweemaal zo groot als het gemiddelde.

Voor de komende jaren wordt een grote instroom van ongeschoolden en lager opgeleiden op de arbeidsmarkt (immigranten, gedeeltelijk arbeidsongeschikten) voorzien. Toch blijkt het aantal moeilijk te vervullen vacatures op dit niveau sterk gestegen. Ondanks alle formele sanctiemogelijkheden blijken veel uitkeringsgerechtigden voor deze vacatures geen interesse te hebben.

Uit onderzoek zou blijken dat alleenverdieners met een minimumuitkering er ten minste 9 tot 18 procent op vooruit moeten gaan, wil werken voor hen financieel aantrekkelijk zijn. (Echt)paren zouden er zelfs netto 49 procent op vooruit moeten gaan. Zulke cijfers duiden echter op irreële verwachtingen en vergen een effectief sanctiebeleid, aldus de Sociale Nota.

De oplossing die het kabinet zoekt, komt neer op een groter verschil in inkomen tussen mensen die werken en mensen met een uitkering. De afstand tussen het laagste CAO-loon en de minimumuitkering zou geleidelijk met tien procent moeten worden vergroot. Het effect op de werkgelegenheid zou “substantieel” zijn. Maar hoe dan precies? De Nota noemt vijf mogelijkheden. De eerste drie maken werken financieel aantrekkelijker maar kosten de overheid veel geld: 1) verhoog in de loon- en inkomstenbelasting het arbeidskostenforfait met één procent per jaar, vijf jaar achtereen; 2) of voer in deze belasting opnieuw een arbeidstoeslag in; 3) of, omdat deze maatregelen kostbaar zijn omdat de bovenminimale inkomens er extra van profiteren: voer een heffingsvrije korting in voor allen die werken. De laatste twee opties maken de minimum-uitkering financieel minder aantrekkelijk en leveren de overheid alleen maar geld op: 4) schaf het kostenforfait voor niet-actieven af; 5) of koppel het sociale minimum voor een alleenverdiener niet langer aan het netto minimumloon maar zet het op bijvoorbeeld 95 procent daarvan.

Binnen Sociale Zaken gaan naar deze laatste, eenvoudigste optie de voorkeuren uit. Maar het doorbreken van de netto-netto-koppeling vergt natuurlijk een forse politiek-morele hobbel. Een vergroting van het arbeidskostenforfait lijkt daarom de meest reële optie.

Maar ook een voorzet in die richting zag minister De Vries afgelopen zomer sneuvelen. “Ik heb het op het laatste moment niet gehaald. Dat is verdrietig”, zegt hij. Gelukkig had De Vries ook nog een zoete troost: de koppeling-op-afstand. De Vries: “Als het minimumloon en de uitkeringen achterblijven bij de laagste cao-lonen, zoals nu gebeurt, dan wordt ook langs die weg de ruimte tussen arbeid en uitkering groter”.

De internationale economie mag dan met een hardnekkige recessie kampen, de economische groei ligt in Nederland in 1992/1993 iets boven het EG-gemiddelde. Dit terwijl de binnenlandse vraag - traditiegetrouw - opnieuw achteraan hinkt. Wat we niet in eigen land afzetten, raken we echter wel in het buitenland kwijt, al zijn we vaak gedwongen tot forse prijs- en winstconcessies.

Meer dan anders houdt het Centraal Planbureau overigens voor 1993 rekening met internationale tegenvallers. Want de cijfers die in augustus beschikbaar kwamen moesten “zonder meer als teleurstellend” worden gekarakteriseerd. De gevolgen voor de Nederlandse produktie en werkgelegenheid in 1993 blijken echter beperkt. Ook wordt een lagere dollarkoers - nu wordt voor 1992 een dollar van 1,75 gulden en voor 1993 een dollar van 1,85 gulden verondersteld - mogelijk geacht. Een lagere dollar is goed voor de koopkracht van de Nederlander, maar negatief voor de "echte' economie.