Heet water en doedelzakken in Turkse badplaats

Hoog in de bergen boven de Zwarte Zee ligt in het oosten van Turkije het kuuroord Ayder, dat slechts via slechte wegen en over bruggen van hout en touw is te bereiken. De faciliteiten bij de hete minerale bron in het rustige plaatsje zijn er nog eenvoudig. 's Avonds schudt Ayder echter de slaperigheid van zich af en wordt er bij doedelzak stampend gedanst. Negende en laatste aflevering van een serie over kuuroorden.

AYDER, SEPT. Turkije beroemt zich erop, kuuroorden te bieden van ruime variëteit, maar met uitzondering van Yalova, een paar uur varen van Istanbul aan de andere kant van de Zee van Marmara, hebben deze nog niet veel toeristische aandacht gekregen. Het meest fascinerend is misschien een oud kuuroord in Centraal Turkije waar in een vijver vissen van een bepaald soort in aanraking komen met de mensenhuid, hetgeen vooral een heilzame uitwerking zou hebben op psoriasis-patiënten. Dit is een ziekte die mij bespaard is gebleven, anders dan de banale arthrose-verschijnselen in schouder en knie. Daarom koos ik voor het afgelegen Ayder in het oosten van Turkije, waarover ik gunstige dingen had gehoord.

“Zodra je in het hete water bent, voel je elke pijn van je afglijden”, zei iemand, “het is net als een snelwerkende aspirine.” Nu heb ik geen doorlopende pijn, maar het klonk toch aantrekkelijk. Ook stelde ik me veel voor van de prachtige omgeving. Ayder ("Maanvallei') ligt landinwaarts op 1157 meter boven de Zwarte Zee, voorbij Trabzon (het oude Trebizonde), temidden van yayla's, de legendarische zomerweiden met hun fraaie houten huizen waar de kustbevolking vanouds heentrekt om koelte te zoeken voor de zomerhitte.

Minibussen van de verschillende hotels vertrekken als ze propvol zijn uit Pazar - vroeger Athene geheten - en koersen bij Ardesen de bergen in. We rijden eerst een heel eind door een mistzone, daarna komt er wat meer zicht maar de zon zijn we kwijt. De bossen rondom - sparren, ceders - verdichten zich, de rivier waar we langs rijden heet Firtina (Storm) en daarover lopen enkele sierlijke, oeroude stenen bruggen en vele primitieve, aandoenlijk van hout en touw.

Bij het dorp Çamlihemsin komen de twee stromen die de Firtina vormen bij elkaar. De minibus volgt de smallere, de Kala, langs een zeer slechte weg die door de chauffeur echter "goed' wordt genoemd. Er is een bulldozer aan te pas gekomen. Eindelijk bereiken we, in de namiddag, Ayder, een wat rommelig conglomeraat van oude houten en moderne betonnen gebouwen. De meeste doen dienst als "hotel' maar geen ziet er uitnodigend uit.

Ik had gedacht dat van de kant van de minibus-chauffeur wel pressie zou worden uitgeoefend, het hotel te betrekken waaronder hij ressorteerde. Maar ik word laconiek afgezet bij een theehuis. Vandaar ontwaar ik een groot hotel dat zich "Hilton' noemt. Zou dit misschien uitmunten door enig comfort? Maar bij nadere inspectie blijkt de naam terug te gaan op zelfspot. Bij alle ramen en op het balkon zitten vrouwen bij kookmateriaal. De meesten in klederdracht, of liever hoofddracht, waar hier veel werk van wordt gemaakt - overheersend oranje-zwart. Ook de benen vertonen een "dracht', van veelkleurige kousen.

Ayder blijkt een nederzetting - of liever omhoogzetting - die voornamelijk voor de lokale bevolking is bestemd, en daarvoor is enigerlei luxe niet nodig. Ik richt mijn schreden naar een even groot maar mooier gelegen hotel, dat Kaçkar heet, naar de bergtop op 3937 meter die het doelwit is van excursies van hieruit. Kaçkar betekent "Wijkende sneeuw'. In de winter is heel Ayder met sneeuw bedekt en verlaten, op enkele bewakers na. Het hotel is niet minder elementair dan de andere maar heel vriendelijk. Ik zoek niet verder, neem een van de weinige éénpersoonskamers, eigenlijk meer een cel. Een oude buurman vindt nog ergens een stoel om erin te zetten, “want die moet je toch hebben als je een maand blijft”. Zelf heb ik het niet over een maand gehad, maar dat schijnt de minimale periode te zijn voor Ayder.

Het badhuis is een eindje verder langs de weg, hebben ze me gezegd. Meteen maar erheen. Tot mijn verbazing kom ik bij een modern en omvangrijk gebouw, met verlepte kransen rondom. Een minister heeft ze net een paar dagen geleden geopend, de nieuwe faciliteiten van Ayder.

Dit moet mij natuurlijk weer overkomen. Jaren, misschien eeuwen, ligt Ayder daar als simpele, plaatselijke attractie en dan kom ik uitgerekend vlak nadat het toeristisch is opgestoten. Nu begrijp ik ook de spandoeken op de route naar het kuuroord: ze waren gericht tot de minister. "Laten we het bergtoerisme bevorderen', "Toerisme is de redding voor dit gebied'. Nu er steeds meer publikaties komen over de funeste invloed van de zon op het menselijk lijf moet men in de bergstreken wel z'n hoop gaan stellen op een ommezwaai - in de 21ste eeuw zou men massaal de hoogte kunnen gaan zoeken, iets waarvan de plaatselijke bevolking trouwens al eeuwen een jaarlijks terugkomend feest maakt.

Voor 15.000 lire (ruim vier gulden) mag ik naar binnen, en iemand leidt mij trots rond in de rechtervleugel die voor de heren is bestemd. Er zijn bordjes "Doktor', "Massaj' en "Özel' (Particulier), maar die faciliteiten blijken (nog) geen van alle in werking te zijn. Iedereen is aangewezen op het collectief bassin waarboven de dampen zwaar opstijgen.

Het is keurig geregeld, met kleedhokjes - vrouwen baden in Turkije naakt, mannen boven de zeven jaar houden wat aan - ieder krijgt een handdoek (en houten sloffen) maar ik ben blij dat ik er zelf één meegenomen heb want die is een stuk droger.

Voordat men het hete bad ingaat met water uit de geneeskrachtige bron hier in de buurt, wordt men geacht zich bij een kleinere kraan grondig te wassen, want daar is het bad niet voor. Men giet eindeloos lang water over zichzelf uit. Zeep wordt hier niet gebruikt. "Was u met zeep' zag ik op een spandoek over een straat in de stad Urfa.

Voorzichtig begeeft men zich vervolgens met behulp van een trappetje in het dampende water. Er bevinden zich reeds enige mannen in het bassin, enkele jongetjes plassen er luidruchtig in rond. Het is stellig weldadig, maar welk bad is dat niet? De beginnende verkoudheid die ik heb opgedaan bij het klimmen van de minibus met open ramen glijdt niet van me af, ook de volgende dagen niet. Loom en kalm, in sterk contrast met de drukke jongetjes, zwem ik wat rond in het heilzame bassin. Het is vijftig jaar geleden dat ik dat deed in een overdekte gelegenheid.

Aan de ingrijpende, beukende behandeling van zwaargebouwde masseurs, waar ik een beetje tegenop zag, kan en hoeft men zich nog niet te onderwerpen. Na een half uurtje sta ik alweer buiten, ook daar is het dampig. Van tijd tot tijd valt er wat ijle regen, waar niemand over praat en waar je niet nat van wordt. Later hoorde ik dat dit de regenrijkste streek van Turkije is.

Benieuwd ben ik naar het avondleven, dat nu begint. Zou er na acht, negen uur nog iets te beleven zijn? Ik had langs de weg een Restoran Viyenna (Wenen) gezien, dat er wel veelbelovend uitzag. Er blijkt bier te zijn en raki (geen wijn) en een bescheiden keuze aan gerechten. Er zit reeds een groot gezelschap natuurminnaars uit Istanbul dat van een jonge reisleider informatie krijgt over het programma van morgen - welke yayla's zullen worden bezocht en welke reservekleding men moet meenemen.

Dan klinkt plotseling vanuit de keuken het schelle geluid van een doedelzak. Een bespeler van de tulum, het meest bespeelde instrument van het Oosten van de Zwarte Zeekust, doet zijn intrede. In de loop van de avond zal hij alle leden van het reisgezelschap - dat eerst wat saai leek - aan het dansen krijgen, plus alle lokale klanten en de eigenaar van de zaak, die daar geheel op is ingesteld.

Het zijn stampende, zeer collectieve dansen, waarbij gebruld moet worden en gesist - men voegt zich in alles naar de musicus die als een soort drilmeester op en neer ijlt en steeds bevelen geeft in muzikale vorm. Het is ook een uitputtingsslag, sommige dansen, op vijf- en negentels-rithmes, duren wel tien minuten. De speler zelf is totaal onvermoeibaar. Het is grappig te zien hoe hij allerlei andere dingen kan doen als hij ophoudt met blazen en z'n instrument toch doorspeelt.

Later op de avond komen diverse karakteristieke overzomeraars het etablissement binnen om zich te laten overhalen ook te dansen, al is de meest getapte, Ali Bey, op pantoffels. Ze hebben hun vrouwen in de hotels gelaten - de positie van de vrouw langs de Zwarte Zee is nog wat nederiger dan in de rest van Turkije - maar de dames van het reisgezelschap vormen welkome plaatsvervangsters bij het dansen. Het wordt middernacht, en pas daarna eindigt de muziek, toch nog plotseling, met een "tot morgen'.

Het was een feest van de eerste orde geweest dat zich niet voor onmiddellijke herhaling leende en daarom ben ik de volgende avond nogal benieuwd. Die loopt dan ook in allerlei opzichten anders. Het reisgezelschap komt, na een vermoeiende dag, veel later binnen. De speler zoekt het deze avond meer in liederen dan in instrumentale stukken, er wordt meer gezongen dan gedanst, hoewel de 68-jarige Dursum Bey die aan mijn tafeltje zit nog herhaaldelijk verrijst om mee te stampen. De baden hebben zijn stramheid verdreven, zegt hij, maar de raki doet zich ook gelden.

Een andere tulum-speler doet zijn intrede, en even spelen beide kunstenaars samen. “Wat is mooier dan een schalmei?” heb ik wel eens gevraagd, en het antwoord was “twee schalmeien”. Maar dit geldt niet voor doedelzakken. Gelukkig neemt de tweede zelf het heft in handen, en hij blijkt een heel repertoire te hebben van liederen uit de streek.

Daarbij gaat het steeds weer over Hemsin, het volk dat hier in de bergen woont en dat in de teksten gedurig wordt bejubeld. Dursun Bey licht mij in: “Ikzelf ben een Hemsin, een pure Turk, geen Laz, ook al woon ik aan de kust”.

De Hemsins, die al eeuwen dit vroeger zeer afgelegen hooggebergte bewonen, vormen een mysterieus volk - alleen al over de afleiding van de naam zijn boeken volgeschreven. Het is een delicaat onderwerp. Hun dialect zit namelijk vol Armeense wendingen, en er is alle reden aan te nemen dat ze nog maar honderd tot tweehonderd jaar geleden tot de islam zijn overgegaan - oude moskeeën vindt men in deze contreien niet.

Ze onderscheiden zich - nadrukkelijk - van de Lazen, met hun enorme neuzen, die langs de kust wonen en naast het Turks een eigen taal spreken die aan het Georgisch verwant is. De Hemsins van de bergen en de Lazen van de kust - die ook veel naar Ayder komen in de zomer - plagen elkaar wederzijds dat ze van christenen afstammen. Maar omdat de Hemsins daarbij als "halve Armeniërs' worden afgeschilderd, is er bij hen meer aandrang, zich er tegen af te zetten. Ze geloven nu heilig in een Turkse geleerde, Kirzioglu, die heeft gepoogd aan te tonen dat ze afstammen van twee Aziatische volken, de Oguz en de Türkmen, “het zuiverste Turkse type”, aldus de zeer omstreden geleerde.

Ook deze avond krijg ik steeds te horen, dat de Hemsins puur Turks zijn. Maar er is een probleem met “de mensen beneden”, de bewoners van het dorp waar we met de minibus zijn doorgekomen en dat de euvele moed heeft, zich Çamlihemsin te noemen ('Hemsin met dennebomen'). Dit zijn namelijk geen Hemsins, maar Armeniërs. Zij worden opgezadeld met alle dingen waarvan de Hemsins vanouds werden beschuldigd: dat ze voor alle zekerheid nog christelijke gebruiken in stand houden, zoals de doop, dat ze Armeens spreken en de islamitische voorschriften aan hun laars lappen.

Wat het drankverbod betreft, dit wordt, naar ik in Restoran Viyenna merk, ook door de Hemsins op grote schaal overtreden, en later hoor ik dat de consumptie van raki in deze streek een record is voor Turkije. Ook zijn ze grote gokkers, naar ik zelf kan bespeuren: de cafés zijn daarvoor 's nachts nog open als Viyenna al dicht is gegaan.

Het woord Ermen, Armeens, wordt hier overigens niet gemeden. Als ik vraag hoe oud de baden zijn, komt als antwoord “heel oud - Ermen”. De tweede dag ontdek ik, ergens in de diepte, voorbij het moskeetje, het oorspronkelijke bad, een veel kleinere, primitieve installatie waarvan op veel groter schaal gebruik wordt gemaakt. Door vrouwen ook - die mogen tot vijf uur, daarna zijn er twee uur gereserveerd, zoals ik later hoorde, voor Bekçi Ahmed, de ongekroonde koning en enige politieman van Ayder, die er met selectief gezelschap verwijlt. Na zeven uur komt de grote mannenschare.

Er is een knus theehuis bij de ingang. Hier hangt ook een gewichtig papier met de namen van klanten die een soort "abonnement' hebben. De overigen betalen 4000 lire, iets meer dan een vierde van de prijs boven. Ik meen iets van afkeuring te bespeuren van de opzet van de toeristische installaties. “De meesten komen toch altijd nog naar mij toe”, zegt de portier-tevens-theeschenker. Anders dan bij de installatie boven, hangt hier een oproep, “op medische gronden” niet langer dan twintig minuten van het minerale water gebruik te maken.

Bij het begin van de avond mag ik even een blik naar binnen werpen. De ruimte is hier veel kleiner dan boven; in een bassin van vier bij vier meter en onder een gewelfd plafond zitten, bijna als haringen in een ton, jongens en mannen van tien tot naar schatting vijfenzeventig jaar, een soort patriarch in het midden, te dampen. Het is een prachtig plaatje, maar ik zie mij er nog niet op zitten.

Een vreemde eend zou ik zijn in deze bijt. Ik voeg mij graag in de rol van bergtoerist en blijf trouw aan het ruime en betrekkelijk luxueuze bad boven, dat voor mij is gebouwd. De derde dag echter zijn de wolken nog niet geweken, zelfs veel bossen zijn nu aan het oog onttrokken benevens de oorsprong van de Firtina hoog in de bergen waarvan je gisteren nog kon zien dat sneeuw een lange waterval voedt. Ik begin te verlangen naar de zon, hoe schadelijk die ook mag zijn, en vertrek met de minibus van een ander hotel - op de route naar beneden zijn ze praktisch leeg, zo vroeg in het seizoen.

Een beetje arthrose lijkt zich nu ook in mijn andere schouder te hebben genesteld, maar ja, ik had natuurlijk een volle maand moeten blijven.