Gwyneth Jones maakt nog furore als Isolde

Concert: BBC Welsh Symphony Orchestra o.l.v. Tadaaki Okata m.m.v. Gwyneth Jones, sopraan. Programma: S. Rachmaninov: Symfonie nr 1; R. Wagner: Dich, teure Halle (Tannhäuser); Wesendonck Lieder; Vorspiel en Liebestod uit Tristan und Isolde. Gehoord: 14/2 Concertgebouw Amsterdam.

Dame Gwyneth Jones, een van de grootste Wagnervertolksters van de laatste twee decennia en de grote ster van Bayreuth in de late jaren zeventig, trad gisteren weer eens op in het Amsterdamse Concertgebouw - bij het BBC Welsh Symphony Orchestra - en zong in het tweede gedeelte van het programma Wagner. De sopraan, geboren in Wales, verkeert in de nadagen van haar carrière en haar stem is uiteraard na zoveel compromisloze inzet niet meer wat die was: kaler, bleker en technisch moeizamer beheerst dan vroeger, maar toch beter onder controle dan tijdens haar optreden in Mahlers Achtste symfonie bij het afscheid van Bernard Haitink. En haar fascinerende aanwezigheid en opwindende volume zijn gebleven, zo bleek uit het Dich, teure Halle, gruss ich wieder uit Tannhäuser, waarmee ze haar terugkeer in de Grote Zaal begon.

De Wesendonck Lieder kregen daarna een wat onevenwichtige uitvoering, soms flink uitgezongen, soms bijna gedeclameerd. Dat pakte het beste uit bij het lied Im Treibhaus, waarin bij voorbeeld het woord "klagt' een superieur aangebrachte expressieve lading kreeg. Maar verrassend genoeg pasten de vocale capaciteiten van Gwyneth Jones nu het beste bij zowel de ontroerde zachte inzet als bij de daaropvolgende exaltaties van Mild und leise wie er lächelt, de Liebestod uit Tristan und Isolde. Tijdens het Vorspiel leek ze bijzondere inspiratie op te doen: plots klonk haar stem strakker en daar stond weer bijna de glorieuze echte Gwyneth Jones. Haar trouwe aanhang was zeer tevreden.

Het concert was begonnen met de Symfonie nr 1 van de 22-jarige Rachmaninov, een merkwaardig stuk om aan Wagner vooraf te laten gaan. Het BBC Welsh Symphony Orchestra is een in bijna alle geledingen kundig spelend orkest, maar de Japanse chef-dirigent Tadaaki Otaka toonde in dit exuberante werk te weinig voeling met het Russische idioom en te veel aandrang tot bombastische luidruchtigheid. Het fraai gespeelde en goed afgewerkte Larghetto was daarop gelukkig een uitzondering.