Groei werkgelegenheid hoogste prioriteit kabinet

DEN HAAG, 15 SEPT. Een verdere groei van de werkgelegenheid heeft voor het kabinet volgend jaar en ook daarna de hoogste prioriteit. Het kabinet vindt loonmatiging daarvoor geboden. Het aantal banen neemt toe, maar het aantal mensen met een uitkering groeit sneller. Het kabinet ziet vergroting van inkomensverschillen als een mogelijkheid om meer mensen aan het werk te krijgen.

Dit blijkt uit de Miljoenennota 1993 die het kabinet vanmiddag aan de Tweede Kamer heeft aangeboden en uit de Troonrede die koningin Beatrix in de Ridderzaal voorlas. Het kabinet stelt dat het de omstandigheden heeft geschapen om tot een gematigde loonontwikkeling te komen en zo de werkgelegenheid te bevorderen. De koopkracht voor de minima blijft gelijk, werkenden gaan er iets op vooruit, het financieringstekort van het rijk en de collectieve lastendruk dalen allebei. De staatsschuld is voor het eerst sinds jaren niet groter geworden en zal naar verwachting na volgend jaar omlaag gaan.

Premier Lubbers waarschuwde wel in zijn toelichting voor “zelfgenoegzaamheid”. Hij omschreef de begroting als “dun ijs” en noemde de kans dat het in Nederland slechter gaat groter dan dat het beter gaat.

De CDA-fractie in de Tweede Kamer reageerde vanmiddag terughoudend op de begrotingsplannen. Fractievoorzitter Brinkman wijst op “onzekere beleidsaannames” die maken dat het kabinet “waakzaam, sober en slagvaardig te werk moet gaan”.

De PvdA reageerde positiever. Fractieleider Wöltgens noemde de begroting “niet spectaculair, maar wel degelijk”. Hij bepleitte meer uitgaven voor investeringen in werkgelegenheid en milieu.

Om de werkgelegenheid te verbeteren is “een breed gerichte actie” van kabinet, werkgevers en werknemers noodzakelijk, zo staat in de Miljoenennota. Desondanks voelen de betrokken bewindslieden er niet voor nu het initiatief te nemen voor centraal overleg over loonmatiging in het komende jaar. Het kabinet stelt zich op het standpunt dat de sociale partners aan zet zijn.

Het Centraal Planbureau raamt de loonstijging in de bedrijven volgend jaar op gemiddeld 4,25 procent bij een inflatie van 3,75 procent. Dat vindt het kabinet “aan de hoge kant”.

Lubbers: “Het zou me een lief ding waard zijn als de loontontwikkeling bescheidener uitvalt”. De FNV sprak vorige week de verwachting uit dat de loonstijging op 5 procent uitkomt.

In de Sociale nota 1993 die het kabinet eveneens vanmiddag heeft gepresenteerd wordt verdere vergroting van de inkomensverschillen tussen uitkeringen en de laagste CAO-lonen noodzakelijk genoemd. Volgens de ondertekenaars, CDA-minister De Vries en PvdA-staatssecretaris Ter Veld, zijn alleen meer onderwijs en scholing, “hoe nodig ook”, niet genoeg. “De sociale zekerheidsregelingen moeten van kleefkracht worden ontdaan. De opgave is dit te verenigen met het behoud van een aanvaardbaar niveau van sociale zekerheid.”

Meer mensen aan het werk, vergroting van de arbeidsparticipatie, vergt volgens het kabinet “voluit onze inspanning”. Die energie moet de komende jaren vooral worden gericht op ongeschoolden of laag-opgeleiden. Het kabinet stelt vast dat in deze groep de arbeidsparticipatie verhoudingsgewijs zeer laag is; beneden de 65 jaar is de verhouding werkende en niet-werkende bijna één op één.

Pag 3: Kabinet wil energie op ongeschoolden richten

Dit leidt tot “een fors beroep” op uitkeringen, stelt het kabinet vast. “Nederland neemt in dit opzicht een unieke plaats in.” Tegelijkertijd zijn er veel moeilijk te vervullen vacatures waar juist ongeschoolden of laag-opgeleiden voor in aanmerking komen.

In de sociale nota constateren De Vries en Ter veld dat geleidelijke vergroting van het inkomensverschil tussen uitkering en lonen met tien procent een substantieel werkgelegenheidseffect zal hebben. De ontkoppeling van uitkeringen en de verhoging van de belastingaftrek voor werkenden (arbeidskostenforfait) dit jaar zijn een eerste stap, de ontkoppeling volgend jaar een vervolg daarop. “Verdere voortgang is geboden in de komende jaren.”

In een vraaggesprek met deze krant laat PvdA-leider en minister van financiën Kok vandaag weten dat hij een dergelijke vergroting van de inkomensverschillen als “een financiële prikkel om te gaan werken” niet bij voorbaat afwijst. Zowel Kok als Lubbers wijst erop dat het kabinet geen besluit heeft genomen over een concreet percentage om het inkomensverschil te vergroten.

Het kabinet constateert vandaag dat de Nederlandse economie een conjunctureel zwakke periode doormaakt. “Nederland betaalt een prijs voor de hardnekkigheid van de internationale inzinking en het langer uitblijven van herstel.” Onzekerheid rondom de dollarkoers en de recessie in de Verenigde Staten, de teruggelopen groei in Duitsland en Japan bepalen het internationale beeld. De Nederlandse economie is kwetsbaar voor een minder gunstig internationaal klimaat “gegeven de lage arbeidsparticipatie en de nog steeds onevenwichtige overheidsfinanciën is”, aldus het kabinet. Desondanks constateert het dat het beoogde doel om deze regeerperiode 400.000 mensen meer aan het werk te krijgen, in zicht lijkt te komen.

Al daalt de staatsschuld niet, het bedrag dat Nederland nu aan rentelasten moet uitgeven is groter dan het financieringstekort. De extra financiële ruimte die kabinetten zich door leningen in het verleden verwierven, is daardoor meer dan teniet gedaan. Volgend jaar betaalt de staat 14 procent van de begroting aan rentelasten, oftewel ruim 28 miljard gulden. Dat is meer dan de ministeries van verkeer en waterstaat en van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieu samen uitgeven. Verder terugdringen van het financieringstekort - en dus minder lenen - is volgens het kabinet dan ook “onverkort een beleidsprioriteit”.

Na werkgelegenheid en overheidsfinanciën beschouwt het kabinet groei van de investeringen, vooral in infrastructuur, als een derde hoofdpunt van het financieel-economische beleid. Daarvoor wordt de komende jaren geld (in de periode 1992-1994 ongeveer 750 miljoen gulden) vrijgemaakt uit de inkomsten van de export van extra aardgas, waardoor voor het eerst sinds jaren de overheidsinvesteringen weer toenemen.

Het nationaal inkomen groeit in 1993 met 2 procent en komt boven de 5 miljard: 525.200.000.000 gulden. De uitgaven van het rijk bedragen 209,4 miljard; aan belastingen en andere inkomsten staat hier 189,7 miljard tegenover. Het financieringstekort, 19,7 miljard, daalt van 4,25 naar 3,75 procent van het nationaal inkomen.

De collectieve-lastendruk, de optelsom van belastingen en premies, daalt van 53,6 naar 53 procent van het nationaal inkomen. Hiervan bestaat 32,1 procent uit belastingen en 19,7 procent uit premies. De collectieve-uitgavenquote, de totale uitgaven van overheid en sociale fondsen, daalt van 63,5 naar 62,4 procent van het nationaal inkomen.

Het aantal mensen met een uitkering neemt toe van 4.073.000 naar 4.110.000, omgerekend in hele uitkeringen. Tegenover elke 100 werkenden staan 86,2 mensen zonder betaalde baan (dit jaar 85,9). De uitgaven voor de sociale zekerheid dalen van 28,8 naar 28,2 procent van het nationaal inkomen.

De werkgelegenheid groeit, omgerekend in volledige banen, van 5.089.000 naar 5.108.000. Maar ook de werkloosheid stijgt: van 300.000 naar 305.000 personen. Het aantal arbeidsongeschikten groeit van 919.000 naar 943.000. Het ziekteverzuim daalt van 8,1 naar 7,7 procent.

De inflatie wordt op 3,75 procent geraamd. De uitkeringen gaan met 2,5 procent omhoog. De belastingschijven worden met 2,5 procent verlengd. De BTW gaat (al op 1 oktober) van 18,5 naar 17,5 procent. De belastingvrije som, het deel van het inkomen waarover iemand geen belasting hoeft te betalen, gaat met 340 gulden omhoog; eventueel komt daar nog 89 gulden bij.

De invloed van het kabinet op de koopkracht: sociale minima blijven gelijk; mensen met het minimumloon gaan er 0,2 tot 0,4 procent op vooruit; ambtenaren gaan er 0,2 procent op vooruit, werknemers met een modaal inkomen 1,5 procent en twee maal modaal 1,6 procent. Alleenstaande WAO'ers boven het sociaal minimum gaan er 1 procent op achteruit.

De kinderbijslag voor het eerste kind gaat volgend jaar omhoog: met 32 gulden voor kinderen van 0 tot en met 6 jaar, met 46 gulden voor kinderen van 6 tot en met 11 jaar en met 59 gulden voor kinderen van 12 tot en met 17 jaar. Door aanpassing aan de prijsstijging kan hier nog iets bijkomen.