Enquête

Staatssecretaris Ter Veld vestigde, aldus het artikel van redacteur Kees Caljé (NRC Handelsblad, 2 september), in een Commissievergadering van 18 april 1991 de aandacht op een schrijnende misstand uit de jaren zeventig en tachtig.

Zij verwees naar de "verdiscontering van werkloosheid' waartoe de Federatie van Bedrijfsverenigingen besloot in 1973 zonder dat de toenmalige bewindslieden op Sociale Zaken (Boersma en Mertens) protest aantekenden. Een misstand, zei Ter Veld en een 'contra legem uitvoering'. Pas bij de stelselherziening van 1987 kwam aan dit getolereerde misbruik een einde.

Deze voorstelling van zaken is onjuist. De WAO schreef in artikel 21 lid 2 voor: “Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt, zoveel doenlijk, rekening gehouden met door deze arbeidsongeschiktheid veroorzaakte verminderde gelegenheid tot het verkrijgen van arbeid”. Deze zeer vage en voor velerlei uitleg vatbare formulering vroeg om een nadere interpretatie, omdat GMD, GAK en bedrijfsverenigingen die regel verschillend toepasten. Dat gebeurde als gebruikelijk sinds 1930 (!) in de Federatie van Bedrijfsverenigingen.

De daar overeengekomen uitleg was royaal te noemen, maar paste geheel in de sociaal-politieke opvattingen van die dagen. De richtlijn werd vastgelegd in een voor iedereen toegankelijke circulaire. Departement en SVR waren dus volledig op de hoogte. Er was dus geen sprake van een contra legem uitvoering, laat staan van misbruik. Wel zou men kunnen spreken van oneigenlijk gebruik: dat is dus een gebruik maken van de wet, maar in een zin waarvoor de wet eigenlijk niet is bedoeld. De enige manier om daaraan een einde te maken is de wet te wijzigen. En dat heeft dan twintig jaar geduurd.