De noodlottige erfenis van de verzuiling

Het denkend deel der natie lijkt van inspraak uitgesloten zodra het over tv gaat. Daar heersen, alsof het materiële bulkproduktie betreft, de kooplieden, managers en boekhouders. Intellectuelen die de waarde van de democratie bepleiten vormen een uitstervende groep in Nederland.

In de jaren '90 lijkt de situatie bij de omroep een beetje op Fukuyama's einde van de geschiedenis. De grote strijd lijkt gestreden. Commerciële televisie bestaat definitief. Maar ook de 'publieke omroep', ooit bedoeld als instrument in dienst van volksontwikkeling en culturele democratisering, wordt nog slechts in markttermen bekeken. Zo luidde een dezer dagen het "J'accuse' van de IKON bij monde van haar directeur algemene zaken, dr. R. Haan. Het dagelijks bestuur van de NOS wil er volgens hem een overkoepelend grootbedrijf met mammoet-management van maken. Niet langer wordt de omroepdoelstelling gedefinieerd in termen van "goede programma's' in de inhoudelijke en maatschappelijke zin van het woord. De doelstelling van de publieke omroep is een louter financiële geworden, aldus Haan.

“Door het vercommercialiseren van omroepinstellingen binnen het publieke bestel komt de rechtvaardiging van het hele bestel in het geding”, waarschuwde indertijd het rapport van de commissie-Donner, een vergelijking van de wetgeving in Nederland met de Brusselse regelingen. Bestaat er nog verschil? Alle televisie is tegenwoordig afhankelijk van reclame en sponsoring.

Nederland zit bovendien met het probleem dat de "publieke omroep' al bijna zeventig jaar uit particuliere verenigingen en stichtingen bestaat. Het laatste dat in een democratie zou mogen gebeuren is dat dit inmiddels aan alle kanten door de commercie geïn- filtreerde bolwerk op kosten van de gemeenschap een blanco volmacht krijgt. Nota bene voor de duur van tien jaar. Er openbaart zich een opmerkelijke parallel met de gang van zaken in het onderwijs, van de basisschool tot en met de universiteit. De gangbare praktijk van betekenisproduktie binnen het wetenschapsbedrijf en de educatieve instellingen wordt nauwelijks op haar maatschappelijke functie geanalyseerd en bekritiseerd. Tot in de jaren '60 plachten in Nederland de levens- en wereldbeschouwelijke zuilen op alle fronten des levens - "van wieg tot graf' betekenissen te monopoliseren. In onderwijs en media stuit men nog altijd op restanten van de verzuiling.

In deze culturele instituties bij uitstek zijn de machtscentra nog steeds verzuild. De historische naweeën van de schoolstrijd zijn nog dagelijks voelbaar in het onderwijspolitieke debat en het mediabeleid; de invloed van de zuilen is in de structuren van beide verzorgingsgebieden sterk aanwezig. Hun machtspositie vormt een obstakel voor duidelijke criteria voor de leerstofkeuze in de leerplanontwikkeling, of voor een volwassen televisiejournaal en een betrouwbare dagelijkse achtergrondrubriek zoals in Engeland en Duitsland. Dit leidt in het openbare debat tot een pseudo-consensus, waardoor daadwerkelijke ontplooiing wordt afgeremd.

Het is een zaak van collectieve overleving, bij de wet journalistieke kwaliteitseisen te formuleren voor een substantieel-rationele aanpak van het televisienieuws. Zelfs op de vrije markt kan men niet alles aan het marktmechanisme overlaten. De zorg voor het voortbestaan van democratie impliceert een fundamenteel mensenrecht op informatie. Dit stelt eisen aan de tv-programmering.

    • Peter Hofstede