De miljarden van Kok

Minister Ritzen is niet de enige minister die geld uitgeeft voor onderwijs. De opleiding van verpleegkundigen bijvoorbeeld valt onder de verantwoordelijkheid van minister d'Ancona van welzijn, volksgezondheid en cultuur. Uitgaven aan onderwijs zijn terug te vinden in verschillende begrotingshoofdstukken. Een zuiver inzicht in de uitgaven van het rijk voor bepaalde overheidstaken vereist dat uitgaven van de verschillende departementen worden samengevoegd: de zogenoemde functionele indeling.

Volgens deze indeling (tabel 1) bedragen de uitgaven van het rijk ruim 236 miljard gulden; dit is beduidend meer dan het totaal van de departementale uitgaven (209 miljard gulden). Het verschil bestaat uit de aflossingen op de staatsschuld die wel in de functionele uitgaven worden verdisconteerd.

Deze post is met een bedrag van ruim 53 miljard gulden ook de grootste uitgavencategorie; bijna 23 procent van het totaal. Minister Kok (financiën) moet volgend jaar 28 miljard gulden aan rente betalen; ofwel 5,3 procent van het nationaal inkomen. Dit percentage stijgt geleidelijk tot 5,5 procent in 1997 (illustratie 6). Aan sociale voorzieningen wordt in 1993 ruim 47 miljard gulden besteed.

Het financieringstekort van het rijk daalt volgend jaar naar 3,75 procent van het nationaal inkomen en voor 1994 wordt een verdere daling verwacht naar 3,25 procent (illustratie 7). Dit draagt ertoe bij dat de staatsschuldquote (de staatsschuld uitgedrukt in procenten van nationaal inkomen) van 1992 op 1993 zal kunnen stabiliseren op een niveau van 72,1 procent (illustratie 5). Voor 1994 wordt een daling van de staatschuldquote voorspelt naar 71,4 procent.

De collectieve lastendruk (som van belasting- en premiedruk) bedraagt volgend jaar 53,0 procent van het nationaal inkomen, en blijft daarmee 0,6 procent onder de afspraak van het regeerakkoord. Daarna verwacht Financiën een verdere daling naar 52,9 procent (illustratie 3).

Uit illustratie 4 blijkt dat de periode 1974-1984 - op één na - allemaal jaren zijn geweest van lastenverzwaringen; de loonstijging bedroeg 4 à 6 procent. Vanaf 1986 tot 1990 is de loonmatiging ondersteund door lastenverlichting; de lonen stegen niet meer dan 1 à 2 procent. De lonen stegen van 0,5 procent in 1988 via 3,25 in 1990 tot 4,5 procent in 1992. Voor volgend jaar voorspelt het CPB een stijging van 4,25 procent; bij een inflatie van 3,75 procent. Het kabinet wil met de BTW-verlaging naar 17,5 procent, die 1 oktober ingaat, een bijdrage leveren aan lastenverlichting waarbij de voorwaarden om de loon-prijsspiraal te doorbreken, zijn geschapen. Volgens het kabinet zijn nu werkgevers en werknemers aan zet.