Ateliers '63 blijft in Amsterdam geheel zichzelf

Bijna dertig jaar na zijn oprichting verlaat Ateliers '63 Haarlem. Vandaag neemt het instituut, dat een groot aantal van Nederlands bekendste kunstenaars heeft opgeleid, zijn intrek in het voormalige gebouw van de Rijksacademie in Amsterdam.

Niets, liefst helemaal niets moet er veranderen als Ateliers '63 van Haarlem naar Amsterdam is verhuisd. Directeur en docent Marcel Vos is er stellig in: ook in Amsterdam zal dit een internationaal kunstenaarsinstituut blijven, met een maximum aan vrijheid en een minimum aan bureaucratie. Hoogstens zal de buitenwereld merken dat het instituut op het officiële briefhoofd nu zijn roepnaam voert, "De Ateliers'.

De Ateliers zijn ver over de grenzen van Nederland befaamd om hun intensieve vorm van begeleiding. De ongeveer twintig studenten krijgen twee jaar lang een atelier waar één dag in de week, altijd op dinsdag, de docenten langs komen. Van een indeling in disciplines als beeldhouwen of schilderen is geen sprake. Van de 250 mensen die zich jaarlijks aanmelden worden er 10 toegelaten. Ongeveer de helft van de studenten komt uit het buitenland. De Ateliers zijn geen onderwijsinstelling en worden dan ook gesubsidieerd door WVC, tot dit jaar met 9 ton en nu na de aankoop van het nieuwe gebouw met ruim 1,2 miljoen per jaar. De studenten betalen geen collegegeld, alleen inschrijfgeld, en krijgen van WVC een stipendium van 15.000 gulden per jaar en 2.000 gulden van de EG. Er zijn acht vaste docenten en een wisselend aantal gastdocenten, vaak uit het buitenland.

De Ateliers wilden niet per se weg uit Haarlem, waar de cultureel geïnteresseerde wethouder Geluk het instituut destijds gratis huisvesting aanbood. Wel werd gezocht naar een ruimere behuizing. “Het gebouw was over de hele linie te klein: de ateliers waren klein, de boeken stonden in een gang bij de koelkast en er was geen opslagruimte,” zegt Vos. Zo werden in Amsterdam locaties onderzocht aan het IJ, aan het Entrepotdok en in de voormalige Westergasfabriek en successievelijk verworpen. “Toen we hoorden dat de Rijksacademie naar de Cavaleriekazerne aan de Sarphatistraat ging verhuizen dachten we: dit is het. We hebben ons meteen als kandidaat aangemeld. Dat was inmiddels vier jaar geleden.”

Over dit gebouw uit 1870 aan de Stadhouderskade was de vorige bewoner juist niet erg enthousiast: directeur Janwillem Schrofer van de Rijksacademie klaagde steen en been over het deel van zijn budget dat alleen al in de stookkosten ging zitten. “Het was een beetje somber en smoezelig,” zegt Vos, “maar we hebben geschilderd en wat schotten en radiatoren weggehaald. Het gebouw is voor ons perfect, niet alleen wat maat betreft met zijn ateliers van circa acht meter hoog, maar ook van sfeer.”

Schilder Toon Verhoef kent het "nieuwe' gebouw nog van zijn tijd als student aan de Rijksacademie. Hij is eraf gegooid toen hij weigerde met houtskool naakten te tekenen. Toen hij in 1968 tot Ateliers '63 werd toegelaten ging er een wereld voor hem open. “Hier kon je niet alleen alles doen wat je wou, maar je kreeg zelfs respons! De formule van Ateliers '63 heeft veel invloed gehad op het kunstonderwijs. Ook aan andere instellingen is meer nadruk komen te liggen op persoonlijke gesprekken en minder op de overdracht van kennis.”

In het nieuwe gebouw in Amsterdam zijn de ateliers weliswaar groter, maar het aantal studenten blijft even klein. Schilder Marien Schouten herinnert zich uit zijn tijd als student aan De Ateliers tussen 1981 en 1983 - nadat hij voor de lerarenopleiding was gezakt - hoe belangrijk het aantal van twintig is. “Het zijn er genoeg om voor een enorme uitwisseling van ervaringen te zorgen, maar ook weer niet zo veel dat er scholen of cliques ontstaan. Doordat de lijnen zo kort zijn - de kunstenaars die er les geven bepalen het beleid - zijn er geen remmende structuren. Je kunt je niet meer voor de artistieke probleemstellingen verstoppen.” Zowel hij als Verhoef vindt dat hun werk bij De Ateliers hun eigen kunstenaarschap ten goede komt. Schouten: “Je wordt gedwongen je gedachten te verwoorden. Bovendien zie je alles wat in de kunst gist en borrelt.”

Vast staat dat veel nieuw talent de Nederlandse kunstwereld via De Ateliers heeft bereikt. Enkele namen: Rob van Koningsbruggen, Maarten Ploeg, Hans van Hoek, Han Schuil, Emo Verkerk, Rob Birza. Tot de buitenlandse studenten die na die twee jaar in Nederland zijn gebleven, behoren Marlene Dumas (Zuid-Afrika), Sigidur Gudmundsson (IJsland) en Adam Colton (Engeland). Het uit afgunst geboren beeld van een "succesfabriek' wil Verhoef bestrijden: “Het is onzin om te denken dat De Ateliers als doel zou hebben om mensen klaar te stomen voor Het Succes.”

Zal het karakter van De Ateliers niet onherroepelijk veranderden nu ze de rust van Haarlem inruilen voor het stadsrumoer? Verhoef is niet bang dat de studenten zullen worden afgeleid. “Het is een mythe dat we ons altijd in de provincie in een soort klooster hebben willen afzonderen. Vooral de sfeer binnen zo'n instituut is belangrijk. Het feit dat Amsterdam meer heeft te bieden dan Haarlem is toegevoegde waarde.” De enige concessie, als je het zo wilt noemen, die de staf van De Ateliers aan het nieuwe, grotere gebouw doen, is een praktische: aan de uitrusting is een draadloze telefoon toegevoegd.