Tel uit je verlies aan gekneusde enkels, kuiten en knieën

Begin van de competitie: spitstijd van de sportblessures. De grote getallen en de kleinschalige werkelijkheid.

HELMOND, 14 SEPT. Wat een efficiëntie. De ambulance levert niet één maar tegelijkertijd twee sportslachtoffers af. Sjoerd Waals, 18 jaar, kermde het hardst: hij mag op de rijdende brancard. Maurice van de Water, 13, stil, wit weggetrokken, moet in de rolstoel. De jongen die er al zit, op de eerste hulp-afdeling van het Helmondse Elkerliekziekenhuis, wordt door Waals verwelkomd als een oude sportvriend. “Nog meer voetballers. Dat kan gezellig worden.” Zijn enthousiasme bekoelt als die knaap “zo'n verdomde hockeyer” blijkt te zijn. Wie zegt dat sport verbroedert? Wie zegt dat pijn de mensen samen brengt?

Sport is als Russische roulette. En in het casino van het leven verlies je altijd. Zet een pistool tegen je voorhoofd, haal zes keer de trekker over, en je hoeft nooit meer aan voetbal te denken. Ga 300 uur sporten en je raakt geblesseerd. Kwestie van kansberekening.

Hetzelfde geldt voor autorijden, ramen lappen, dronken worden. De risico's variëren maar elke menselijk activiteit heeft zijn prijs. Nu leven we in een vrij land en elk individu heeft het recht om zichzelf geweld aan te doen. Maar als de risicofactor groot is en het aantal stoutmoedigen gigantisch, wordt de maatschappelijke prijs wel erg hoog. Dan spreken we van een probleem voor de volksgezondheid. Dan komen er commissies en campagnes. Over de gevaren van het ramen lappen hebben de regering, de werkgeversorganisaties, de vakbonden nooit een uitspraak gedaan.

Sinds Nederland massaal voor zijn gezondheid is gaan sporten, geldt sportbeoefening als probleem voor de volksgezondheid. Sindsdien is sportbeoefening “het geheel van activiteiten door een individu in georganiseerd en/of ongeorganiseerd verband uitgevoerd conform de regels en bedoelingen van een algemeen erkende sport met als doel in houding en beweging persoonlijke competenties, ervaringen en emoties te realiseren”. Zouden Marco van Basten en Ellen van Langen van die definitie op de hoogte zijn? Zouden ze trouwens ook weten dat sportbeoefening tot verminderde kans op chronische ziektes leidt? Daar staat een verhoogde kans op acute kwetsuren tegenover.

Als 8,2 miljoen Nederlanders jaarlijks gemiddeld 100 uur aan sport doen, en er in doorsnee 300 uur sport nodig zijn voor één blessure, tel uit je verlies aan gekneusde enkels, kuiten en knieën. Nederland is jaarlijks goed voor 2,7 miljoen sportblessures. Vier op de tien vergen medische zorg van huisarts of eerste hulp. Twee op de tien leiden tot verzuim van gemiddeld anderhalve week. En de jaarlijkse kosten aan behandeling en ziektegeld? Die variëren, afhankelijk van het rapport dat je erop naslaat, tussen de 0,5 en 1 miljard gulden.

Grote getallen die beelden oproepen van onafzienbare rijen lammen en blinden. Van bloed en vertrokken gezichten. Waarom fabriekt onze verbeelding bij voorkeur horrortaferelen? De kleinschalige werkelijkheid is meestal veel onschuldiger.

Het Helmondse Elkerliekziekenhuis op een nazomerse zaterdag in september: loom en onschuldig. Boven de hoofdingang het beeldmerk: een hardlopend mannetje. Uitgevoerd in groen natuurlijk. Want veilig. Lopen is gezond.

Wat zou de verborgen boodschap zijn van mint? Alle deuren op de eerste hulp-afdeling zijn uitgevoerd in de mintkleur. Het zeil is mintkleurig. De lijst om het aquarel vormt een ragfijne minten rechthoek. Zelfs de bloem op het schilderij heeft een steel van mint.

Pas om kwart over twee dient zich de eerste sportblessure aan. Een tienjarige jongen heeft bij het voetballen een trap tegen zijn duim gekregen. Dat lijkt het startsein voor de toevloed aan sporters te zijn. Even komt het ene na het andere sportshirtje binnenschuiven, al dan niet op eigen kracht. Het mintkleurig zeil wordt ingedeukt door voetbalnoppen. Maar als het waarnemend hoofd aan het eind van de dag de balans opmaakt, blijft ze steken bij negen. Negen sportblessures op een totaal van 56 behandelde klachten. Een doorsnee-zaterdag.

Terwijl de zaterdag toch altijd goed is voor eenvijfde van de sportblessures. Eervolle tweede na de zondag die een kwart van de blessures levert. Terwijl september toch de topmaand is, nog voor april. Tussen begin en einde van de competitie loopt het sportleed terug.

"Blessures blijf ze de baas'. Dat was het motto van de campagne, die het Nationaal Instituut voor de Sportgezondheidszorg (NISG) en de Stichting Consument en Veiligheid drie jaar geleden begonnen “om te komen tot een substantiële reductie van het aantal blessures”. Gesponsord door het Praeventiefonds en het ministerie van welzijn, volksgezondheid en cultuur. Kosten: 3,5 miljoen gulden.

Had de WHO, de wereldgezondheidsorganisatie, niet verordineerd dat het aantal sportblessures voor het jaar 2000 met een kwart omlaag moest? Nederland zou wel weer eens voortrekkersrol vervullen. Hoewel dr. F. Backx, sportarts bij het NISG vorig jaar in zijn proefschrift al waarschuwde dat het WHO-doel irreëel was. Een vermindering van vijf tot tien procent, meer zat er niet in.

In het eindverslag van de campagne die begin dit jaar sloot, wordt met geen woord meer gerept over een bereikte reductie. Hoe zou je zou die ook moeten meten, voert het NISG als verweer aan. Het project was alleen maar als aanzet bedoeld.

Toch meldt het eindverslag tevreden “dat de campagne veel tot stand heeft gebracht”. “Het thema preventie van sportblessures is onder de aandacht gebracht van velen.” Hetzelfde eindverslag leert ook dat “kennis en houding over blessurepreventie” bij voetballers niet is toegenomen. “Een direct effect op voetballend Nederland heeft de campagne niet of nauwelijks gehad.” Maar: “Daarvoor was de tijd ook de kort.”

Van de zes jeugdige sporters die zich zaterdagmiddag bij het Helmondse ziekenhuis vervoegen, doen er vier aan voetbal, twee aan hockey. Alle zes zeggen ze dat ze hun spieren braaf hebben gewarmd voor de wedstrijd. Wat kun je nog meer doen? De hockeyers hadden een gebitsbeschermer kunnen indoen, wat ze hebben verzuimd, zoals ze enigszins beschaamd bekennen. Maar dat had hen niet tegen hun blessures beschermd.

De ene hockeyer kreeg een klap met een stick tegen zijn kin, de andere tegen zijn middelvinger. Drie van de voetballers stuitten op de voet van een tegenstander. De vierde verdraaide zijn knie. Daar doe je niets aan, is hun eensgezinde mening. Het hoort bij sport. Dat weet je toch.

Bij sommige sporten hoort het meer dan bij andere. De kans op blessures is bij zaalvoetbal, veldvoetbal, hockey, volleybal en basketbal - de top-vijf van risico-sporten - vele malen groter groter dan bij jeu de boules of golf. Als het gaat om gevaar zijn er nog wel andere wetmatigheden. Zoals: hoe hoger je speelt, hoe groter de kansen op letsel. En: hoe meer fysiek contact, hoe vaker een kwetsuur.

Maar andere factoren doen er weer helemaal niet toe. Leeftijd, geslacht, gewicht, ondergrond, jaargetij, moment van de dag, dat maakt allemaal niets uit, bleek uit een onderzoek naar blessures bij hardlopers, waarop dr. W. van Mechelen twee weken geleden promoveerde. Zelfs de modieuze warming-up, de cooling-down, het stretchen bleken van geen enkele betekenis bij preventie van blessures. Van doorslaggevende invloed was alleen de frequentie. Hoe vaker iemand loopt, hoe groter de kans op letsel. Wie sportblessure wil vermijden, moet niet aan sport doen.