Ongewenste emoties

Hoe boos mogen we zijn, hoe jaloers en hoe verdrietig? De gedachte dat deze tijd gekenmerkt zou zijn door een vrije uiting van emoties is een van de grote hedendaagse misverstanden. Erotische gevoelens mogen dan wel iets meer en eerder geuit worden, maar ook deze zijn sterk aan banden gelegd, en onprettige gevoelens als woede en jaloezie al helemaal.

Over de vraag of deze emotiebeheersing nu sterker is geworden in de loop der tijd of juist verminderd is, laaien af en toe in het kleine gezelschap van emotiesociologen heftige doch beschaafde controverses op. Ooit dacht ik het wel te weten, maar dat dacht ik wel van meer dingen vroeger. Ik word nu steeds meer doordrongen van de complexiteit van zo ongeveer alles, zeker op het gebied van de emoties.

Vraagt bijvoorbeeld het zich beheerst laten gaan een grotere, want verfijndere emotionele stuurmanskunst dan de onderdrukking van gevoelens, en valt dit ook te verkiezen? (wat een andere vraag is, maar volgens mij de vraag waar het uiteindelijk om gaat). Hoever kunnen mensen gaan met het onderdrukken van hun verlangens, en wat is de prijs die ze daarvoor moeten betalen? Welke emotiebeheersing is op het ogenblik vereist om zich staande te kunnen houden in het maatschappelijk verkeer, en in hoeverre verschilt dit voor mannen en vrouwen? Minder dramatisch gezegd: wat worden "prettige mensen' gevonden?

Volgens de Amerikaanse historicus Stearns die samen met zijn vrouw Carol Stearns Zisowitz, psychiater, onderzoek doet naar de ontwikkelingen in emotiebeheersing en daar vorige week in Amsterdam (ook in deze krant) over vertelde, is er een toenemende beheersing van woede en andere ongewenste emoties. Een bozige werkneemster bijvoorbeeld - en ik ben weer vergeten te vragen of dit evenzeer voor mannen geldt - wordt bijzonder onaangenaam gevonden. Men dient chronisch opgewekt te zijn op de werkplek, en op de vraag hoe het met je gaat is maar één antwoord mogelijk (goed, fijn, prima). Hoe het verder ook gaat.

Is dat nu bij ons ook zo? Ik geloof dat het emotieregime hier nog niet zo strikt en monochroom is als daar, al vraagt het werkend bestaan ook hier een verregaande disciplinering van gedrag en gevoel. Het ergst van al lijkt me die Amerikaanse cultuur van ijzeren opgewektheid. Hoe prettig is het immers niet als iemand weer eens voluit klaagt en kankert; niet alleen omdat je dan zelf ook weer eens mag, maar ook omdat het vaak een passend geluid is. Want het is toch ook vreselijk dat de zomer voorbij is, dat het werk zich weer over je uitstort, dat het overal oorlog is en dat het nu al de vijfde week is dat er op Van Dis wordt geschoten (al twee weken langer dan bij Charlotte Mutsaers het geval was, en dat leek ook al niet op te houden).

Over de vraag in hoeverre hij regels van het vak overschreden heeft wil ik het hier niet hebben, al lijkt me er nog veel te zeggen over literaire, journalistieke en wetenschappelijke genres en de verschillende eisen die hieraan gesteld kunnen worden. De reactie op Van Dis' overtreding is echter buitensporig. Zijn belangrijkste sociale zonde is, denk ik, dat hij te hoog gestegen is, door zijn tv-programma te veel macht had in literaire kringen, en daarmee veel ergernis en afgunst heeft gewekt. Als je je dan niet voortdurend in het stof werpt of andere tekenen van nederigheid of gewoonheid ten toon spreidt, loop je het risico eens te vallen en geveld te worden. Nu Van Dis die macht uit handen heeft gegeven door zijn programma te beëindigen, en er een stok gevonden is om te slaan, weet men van geen ophouden.

Blijkbaar is dit geoorloofde woede, of sociaal aanvaarde afgunstontlading. Geef mij dan maar liever af en toe een knallende deur, een woedende huilbui, of een rechtstreekse jaloezieaanval. Als vormgeving van ongewenste emoties is dat beter verteerbaar en beduidend minder destructief.