Na Mahler kon orkest veel kleiner

Concert: Schönberg Ensemble o.l.v. Reinbert de Leeuw m.m.v. Jard van Nes, mezzo-sopraan. Gehoord: 12/9 Concertgebouw Amsterdam. Radio-uitz.: 14/9 20.02 uur Vara Radio 4.

Een week na opening met de reusachtige en weidse Derde symfonie (1896) van Mahler onder leiding van Edo de Waart werd in de Varamatinee de serie "Mahler en de muziek van onze eeuw' voortgezet met twintigste-eeuwse muziek door het Schönberg Ensemble. Het concert begon met Distanzen (1988) van Isang Yun, een stuk over ijle verten èn over de problematiek van de toonsafstanden - sinds Schönberg en de Tweede Weense School de cruciale kwestie in de muziek van onze eeuw. Het schiep afstand tot Mahler en was een prachtig voorbeeld van de programmeringskunst van dirigent Reinbert de Leeuw.

De Kammersymphonie (1916) van Franz Schreker besloot het concert: een gepassioneerde terugblik op de laatromantische muziek van het laatste kwart van de negentiende eeuw. De bezetting - voor 24 musici van de Wiener Akademie für Musik - was noodgedwongen klein, maar Schrekers vermogen om daarmee toch het effect van een groots en meeslepend spelend symfonie-orkest te imiteren was enorm. Zo verenigde hij het verleden en het toenmalige heden, want de muziekpraktijk van de Tweede Weense school werd niet alleen gekenmerkt door het opbreken van het tonale stelsel, maar ook door een vergaande reductie van de instrumentale middelen.

Tussen Yun en Schreker klonk de beginfase van de Tweede Weense School: de beknopte Sechs Orchesterstücke (1909) van Webern in zijn bewerking voor 13 musici; het Lied der Waldtaube uit Schönbergs massaal bezette Gurrelieder (1911), in 1922 door de componist bewerkt voor kleine bezetting en de Altenberg Lieder (1912) van Berg, in een bewerking van Diderik Wagenaar (1985).

Dit inmiddels zo vertrouwde repertoire - ontstaan tijdens Mahlers laatste levensjaren - kreeg van het Schönberg Ensemble in deze gereduceerde bezettingen pregnante uitvoeringen. Hoogtepunt voor mij was Langsam, Marcia funèbre, het vierde van Weberns Sechs Orchesterstücke. Het klonk hier met een ongelooflijk geconcentreerde spanning en de 13 musici kwamen aan het slot tot een overweldigend orkestraal volume. Jard van Nes had in haar hoge noten soms last van intonatieproblemen, maar zong het lied van de woudduif en de Altenberg Lieder expressief.