In Moskou tikt de tijdbom van de burgeroorlog door

Er werd gisteren weer vuurwerk in Moskou ontstoken. Nee, niet uit vreugde over het behoud van de Koerillen.

Het bezoek aan Japan stond vorige week woensdag aanvankelijk niet eens op de agenda. Dat vuurwerk dus ook niet. De Veiligheidsraad dacht vijf dagen geleden immers gewoon voor een routinevergadering bijeen te komen. Maar de mannen in dit orgaan, die het gemunt hebben op de bewegingsvrijheid van de president, sloegen plots toe. Het leek met name secretaris Joeri Skokov (een militair-industriële communist uit Jeltsins bolwerk Sverdlovsk die tot augustus 1991 heeft gewacht voordat hij de CPSU noodgedwongen de rug toekeerde) en minister van defensie Pavel Gratsjov geen goed idee om zelfs maar over de eilanden te gaan onderhandelen. Minister Andrej Kozyrev van buitenlandse zaken begon dan ook te steigeren. Hij, die voor het welslagen van de missie verantwoordelijk was, zou zelfs met aftreden hebben gedreigd. De waarschuwingen van Kozyrev werden echter weggehoond. Op zich niet zo moeilijk. De jeugdige minister is al zozeer met zijn voornaamheid verkleefd dat zijn dreigementen slechts “ach gossie” oproepen. Maar het was wel een signaal.

Jeltsin wist daarna wat hem te doen stond: zijn nederlaag "nemen', hoe smadelijk ook, het bezoek afzeggen, in volle vaart naar voren vluchten door de Japanners de schuld te geven, hopen dat de Westerse bondgenoten uit de G7 zich daarover heimelijk zouden verkneuteren en de bui (geen yens meer) verder maar met een paraplu proberen te bestrijden. Hij had geen zin zich in Tokio te laten belagen door demonstranten, zoals Michail Gorbatsjov anderhalf jaar geleden was overkomen. Want “zo'n vernedering kan noch Rusland noch zijn president tolereren”.

Dit argument moet natuurlijk serieus worden genomen. Zeker nu het Russische Rijk het grootste deel van zijn imperium al heeft moeten opgeven. Rusland is in zijn eigen ogen nu eenmaal geen "Zimbabwe', zoals de voormalige proletarische internationalist en ondernemerstycoon Arkadij Volski (ooit secretaris van partijleider Joeri Andropov en momenteel weer bijna de machtigste man in het land) vrijdag fijntjes zei. Wij in het Westen, met ons zwart-wit-schema waarmee Francis ("end of history') Fukyoma zo effectief op de loop is gegaan, hebben dat de onttakeling van de Sovjet-Unie het afgelopen jaar beschouwd als de nederlaag van het communisme. Dat zei echter meer over ons rozige ideologische denkraam dan over het Russische nationale gevoel.

Maar het ruwe affront van Japan illustreerde evenzeer iets anders: het primaat van de binnenlandse politiek. Bijna alles wat gezegd en gedaan wordt, is thans namelijk onderdeel van een woeste strijd om de macht in Moskou tussen "westerlingen' en "slavofielen', tussen de liberale reformisten en autoritaire hervormers. Verwonderlijk is dat niet. De "tweede Russische revolutie' van 1991 was een elite-revolutie die de televisie mooie beelden heeft opgeleverd, maar daarna niet aan de basis is afgemaakt. De oude garde probeert zich met haar stempel-privileges (corruptie) in leven te houden en de nieuwe is zich nog altijd aan het invechten. Met als gevolg dat de nieuwe ministers zo ongeveer hun eigen koffie moeten zetten en ondertussen, zonder noemenswaardige ambtelijke steun, aan de lopende band ideetjes verzinnen die zelden verder komen dan de vergaderzaal waar ze toevallig zitten. Het enige dat echt goed gaat is de handel in import-documenten voor Volvo's, Mercedessen en al die andere prettige auto's die nu met staatsnummerborden door de straten paraderen.

Het is, kortom, één grote troep in de regering. Niets substantieels komt er meer uit haar handen. Alle plannen die met veel bombarie worden opgediend, zijn nog geen week later verpieterd tot treurige kliekjes. Want wat is er tot nu toe zoal suf gesudderd? Het streven naar een stabiele roebel bijvoorbeeld. Per ingang van 1 juni dit jaar zouden in het kader daarvan alle valutawinkels dicht hebben moeten zijn. Maar het zijn er sinds de zomer meer dan ooit. Om nog maar te zwijgen van de koers van de Russische munt. Voor de gemiddelde Rus, die groot is geworden met de illusie dat een roebel eigenlijk evenveel waard hoort te zijn als een dollar, is dat een traumatische ervaring.

Met de liberalisering van de energieprijzen, één van de harde eisen van het IMF, is het niet anders gesteld. Verhoogd worden ze, maar wel onder staatstoezicht. Met andere woorden, ook op dit leerstuk volgt de regering van Jeltsin nu een economisch beleid dat doet denken aan die wanhopige poging twintig jaar geleden van de Poolse communist Edward Gierek: centralistisch staatskapitalisme in plaats van decentraal marktkapitalisme. Of wat te denken van het privatiseringsplan dat Jeltsin in zijn televisietoespraak van 19 augustus zo superieur presenteerde als hèt middel om Rusland om te vormen tot een natie van "bezitters'? De details van het voucher-systeem, waarbij elke burger een aandelen-coupon ter waarde van tienduizend roebel krijgt, zijn nu door verantwoordelijk vice-premier Anatoli Tsjoebais uitgewerkt.

Arme Tsjoebais. Twee weken voordat het allemaal zou moeten beginnen, is het verzet tegen deze constructie al zo groot dat er een wonder moet gebeuren wil hij de vouchers er in de organen enigszins ongeschonden door zien te krijgen. Volski heeft in ieder geval al aangekondigd de regering van Jeltsin te zullen kraken als er komende weken niet nog meer naar hem wordt geluisterd. De vakbonden hebben zich uit angst voor massale faillissementen al opgeworpen als zijn niet te verwaarlozen bondgenoten. Parlementsvoorzitter Roeslan Chasboelatov zal over anderhalve week, als de volksvertegenwoordiging van zomerreces terugkomt, de rest doen. Want in zijn Opperste Sovjet zitten de representanten van het oude Rusland. Politieke slachtoffers zijn daarbij nog niet gevallen. Maar premier Jegor Gaidar is er na aan toe, die architect van het macro-economische beleid dat in de hoofdredactionele kolommen van de Westerse kranten weliswaar werd geprezen maar dat als theoretische exercitie heel ver van de Russische werkelijkheid was verwijderd.

Tegelijkertijd voltrekt zich in het land echter een trend waarop Moskou geen enkele greep heeft. De tijdbom der burgeroorlog tikt geduldig door. Als een brandweerman rent Rusland door het land. De haarden worden goed nat gehouden, maar de belendende panden niet. Na Karabach, Georgië en Moldavië staat nu het islamitische en Farsi-sprekende Tadzjikistan in lichterlaaie en straks wellicht ook de rest van centraal-Azië. Het zijn evenzovele beledigingen aan het adres van Rusland, van oudsher de grote pacificator op het continent.

Niet alleen in politiek maar ook in economisch opzicht is het land in een bonte verzameling particularistische stadstaatjes uiteen aan het vallen. Elke polis voert onder het mom "hervormingen van onderop' zijn eigen beleid, in weerwil uiteraard van de centrale richtlijnen. Dit armpje-drukken tussen de politiek en de economie lijkt inspirerend. Een burgerlijke samenleving kristalliseert zich immers van "onderen' uit. Maar die verkruimeling van de staat is ook een breuk met het autoritaire en dirigistisch verleden van Rusland en bezorgt de nominale leiders van het land derhalve doodsangsten die door hun electoraat maar al te goed worden begrepen.

In dit duale machtsvacuüm kan de Veiligheidsraad nu zijn positie verstevigen. Deze raad heeft reeds bevoegdheden die de mogelijkheden van de regering in de schaduw stellen. En, belangrijker, hij heeft leden die echt iets kunnen. Met mannen als Skokov, Gratsjov, Viktor Barannikov (minister van staatsveiligheid) en Jevgeni Primakov (Gorbatsjov's adviseur voor het Midden-Oosten en de rest van de wereld, thans chef van de contraspionage) vertoeft de raad midden in de oude èn nieuwe nomenklatoera. Dat ministers als premier Jegor Gaidar en Andrej Kozyrev, de steunpunten van de "Westerse vleugel' in de regering, het Engels machtig zijn, lijkt mooi maar betekent niet veel. Tegenover de Veiligheidsraad, een technocratisch Politbureau dat alle politieke beslissingen kan sturen en zich daarbij mag beroepen op de zuiverheid van de grootse eenheid van Rusland, zijn zij slechts kleine jongens.

In ons referentiekader lijken dit vormen van regressie, al dan niet gekoppeld aan banale persoonlijke belangen. Maar in het hart van het politieke gevecht, dat Moskou momenteel verlamt, verschuilt zich vanuit Russisch perspectief ook een andere strijd: die tussen liberaal individualisme en autoritair étatisme. Daarom was het zo belangrijk dat Jeltsin vorige week, na zijn Japan-debâcle, ineens met een nieuw parool op de proppen kwam. Geen democratisch gelazer meer maar bestuurlijke discipline, aldus de president. Het doel daarvan is nog niet helder. Maar de richting is onmiskenbaar. Jeltsin, de kampioen van de democraten, zoekt het nu in een Zuid-Koreaans model: modernisatie van boven.

In het Westen zou men dan ook over iets anders moeten gaan nadenken: over de vraag hoe hoog de prijs van onze democratische moraal eigenlijk is. Want Rusland is nu eenmaal geen Zimbabwe.