Ieder krijgsdeel aast nu op aandeel in de mondiale veiligheidsmarkt

“Morrelen aan de feiten.” Dat is de vriendelijkste kwalificatie voor het artikel van M. Reijmerink over de Nederlandse militaire bijdrage aan VN-operaties in NRC Handelsblad van 10 september.

Door de elementaire journalistieke regel "comment is free, but facts are sacred' aan zijn laars te lappen heeft Reijmerink een artikel geschreven dat vol staat met onjuistheden. Voor het doelgericht "onderbouwen' van zijn vooropgezette conclusie dat minister van defensie Ter Beek bij VN-operaties niet voor mariniers, maar voor de koninklijke landmacht moet kiezen, schroomt hij enkele feiten geweld aan te doen. Op het gevaar af beschuldigd te worden van het preken voor eigen parochie, meen ik toch een aantal van de door hem gedebiteerde onjuistheden te moeten rechtzetten.

Reijmerink misbruikt het recente rapport Wat is de vrede ons waard van de Adviesraad Vrede en Veiligheid door zijn eigen mening met een aanbeveling van dit rapport te integreren. Hierdoor moet de niet-ingewijde lezer wel de indruk krijgen dat de raad de lichtbewapende mariniers niet geschikt vindt om deel uit te maken van een snel inzetbare VN-macht.

In werkelijkheid stelt het het rapport slechts: “Nederland zou naar de mening van de Adviesraad eveneens de bereidheid moeten uitspreken een aantal snel inzetbare militairen aan de Verenigde Naties ter beschikking te stellen ten behoeve van preventieve VN-actie. Dit zouden militairen kunnen zijn die deel uitmaken van het Korps Mariniers en/of van de te vormen luchtmobiele brigade”.

Met zijn constatering dat de lichtbewapende mariniers in Cambodja hun taak niet of nauwelijks kunnen uitvoeren, verraadt Reijmerink een gebrek aan elementaire kennis over de politieke en militaire restricties bij vredesoperaties. Neem de Israelische operatie "Vrede voor Galilea in 1982'. Israelische troepen doorschreden toen ongehinderd het gebied van de in Zuid-Libanon gestationeerde VN-vredesmacht Unifil, waaronder dat van het bepaald niet lichtbewapende Nederlandse 44ste pantserinfanterie bataljon. Ook dit bataljon kon ondanks zijn logistieke en ondersteunende eenheden zijn taak in Libanon niet uitvoeren en werd onder meer om deze reden in 1985 door de Nederlandse regering uit Unifil teruggetrokken.

Een fraai historisch hoogstandje is de opmerking dat de landmacht op het gebied van peace-making meer ervaring heeft dan de mariniers, waarvoor Reijmerink naar Noord-Irak verwijst.

De feiten zijn echter dat Nederland vorig voorjaar een duizend-man sterk detachement leverde an de hulpverleningsactie "Operation Haven' ten behoeve van de gevluchte Koerden in Noord-Irak. Dit onder bevel van een kolonel der mariniers staande contingent bestond uit vierhonderd mariniers van de eerste amfibische gevechtsgroep en geneeskundige en genie-eenheden van de landmacht ten sterkte van zeshonderd man. Minister Ter Beek zou hierover later opmerken: “Tijdens de hulpverlening aan de Koerden in Noord-Irak hebben we uitstekende ervaring opgedaan met geïntegreerd optreden onder eenhoofdig commando door eenheden die behoren tot verschillende krijgsmachtdelen. Voor wie de verhoudingen kent, voorwaar een huzarenstukje!”

Het artikel van Reijmerink past in de welbekende stammenstrijd tussen de krijgsmachtdelen. Het doel heiligt dan vaak de middelen. Zeker nu de veiligheidssituatie is veranderd. Tijdens de Koude Oorlog had ieder krijgsmachtdeel binnen de NAVO zijn eigen hoofdtaak en zorgde de 1:2:1-verdeelsleutel voor een relatieve rust. Met het einde van de Oost-West-confrontatie is hieraan een eind gekomen. Ieder krijgsmachtdeel probeert nu een aandeel te veroveren in de mondiale veiligheidsmarkt van onze nieuwe wereldorde. Het betekent wel dat het door minister Ter Beek als "huzarenstukje' aangeduide interservice-optreden meer regel dan uitzondering zal worden. In zijn veel aangehaalde lezing voor het Nederlands Genootschap voor Internationale Zaken van 31 maart merkte de bewindsman op dat in de toekomst alle eenheden van de krijgsmacht in beginsel ook beschikbaar dienen te zijn voor VN-operaties. Tevens zal, aldus de minister “een crisisbeheersingsoperatie meestal een interservice-karakter hebben”. “Met andere woorden”, zo vervolgde hij, “militairen uit verschillende krijgsmachtdelen zullen in staat moeten zijn, waar ook ter wereld, schouder aan schouder moeilijke klussen te klaren”.