Fiscus geeft ons sigaar uit eigen doos

“Te lang hebben wij ons wettelijk kader op de veronderstelling gebouwd dat alle onderdanen tot knoeien geneigd zijn”, waarschuwde de befaamde professor D. Brüll alweer meer dan tien jaar geleden over de belastingheffing.

Het werd er alleen maar erger op. In een zaak die kort daarop diende voor het gerechtshof in Arnhem, klaagde een burger dat de opsporingsmethodes van de motorrijtuigenbelasting deden denken aan “een colporteur in snelkookpannen”. Andere hooggeleerden deinsden niet terug voor termen als “agressieve houding van de belastingdienst (Van Brunschot, 1983) en “administratief getreiter” (Van Maarseveen, 1985).

Wat een verademing is het dan te lezen in het "Belastingstatuut' dat staatsecretaris Van Amelsvoort van financiën vorig jaar november afkondigde: “de belastingplichtige wordt geacht te goeder trouw te zijn totdat het tegendeel blijkt”. Tekenend is echter dat zelfs deze handreiking direct heeft geleid tot wrijving over woorden. “Blijken” stond volgens de Nederlandse federatie van belastingadviseurs (NFB) in een kritische reactie, voor “overtuigend antwoorden” en niet slechts voor “aannemelijk maken”. Het gaat hier helemaal niet om de fiscale bewijsleer, repliceerde Van Amelsvoort ietwat bezeerd, maar om de gewone Nederlandse betekenis van “duidelijk worden; aan de dag komen”. Was dat laatste echter nu wel zo in belang van de burger waar de NFB voor opkwam? Op de keper beschouwd is de eis van een overtuigend antwoord te prefereren boven de mindere termen, want hoe hoger de drempel voor het tegendeel, des te langer gaat de goede trouw van de burger mee.

Na aftrek van dergelijke verbale gevoeligheden blijft er nog volop ruimte voor scepsis, zo blijkt uit de jongste aflevering van het NFB-blad Tribuut. Negen auteurs behandelen daarin de negen paragrafen van het statuut en dragen overtuigende argumenten aan voor de stelling dat het te mager is. Tekenend is, zoals prof.mr. J.F.M. Giele opmerkt, dat het statuut belastingdienst consequent met een hoofdletter schrijft en belastingplichtige met een kleine letter. De auteurs laten het niet bij kritiek maar doen voorstellen voor een "charter voor de belastingbetaler' dat die naam wèl verdient. Het zijn overigens bepaald niet alleen de belastingadviseurs die het statuut te vrijblijvend vinden; de scepsis reikt van Consumentenbond tot VNO.

Bij de vermelde aanvaring met de NFB beriep Van Amelsvoort zich nog speciaal op andere landen waar reeds langer charters bestaan die een "veronderstelling van eerlijkheid' proclameren. Engeland bijvoorbeeld, maar daar blijkt bij nadere beschouwing de tegemoetkoming aan de burger in een handomdraai tégen hem te kunnen worden gekeerd: “de belastingdienst heeft er aanspraak op dat u hem alle feiten zal verschaffen die hij nodig heeft om te beslissen hoeveel belasting u moet betalen”. Dat is te kort door de bocht, zoals dat in het hedendaagse regeringsjargon heet. Welke gegevens er nu precies nodig zijn - en hoe die moeten worden opgesteld - is juist een belangrijk en legitiem onderwerp van meningsverschil bij menige aanslag. Het gaat wat ver de burger onder het mom van "help and information' te verplichten zichzelf informationeel voor de fiscus uit te kleden.

Ook het statuut van Van Amelsvoort is niet vrij van dergelijke dubbele bodems: “de belastingplichtige verleent medewerking aan een op grond van de wettelijke bepalingen ingesteld boekenonderzoek”. Alsof daar geen mitsen en maren aan verbonden zijn. Als we het over de rechten van de belastingplichtige hebben, ligt het volgens de advocaat mr. S.V. Langeveld eerder in de lijn te bepalen dat de belastingdienst het boekenonderzoek zo uitvoert dat het zo min mogelijk overlast veroorzaakt. Zelfs na een aanmerkelijke aanscherping van de informatieverplichtingen tien jaar geleden bevat de belastingwet géén blanco plicht tot medewerking.

Nieuwe rechten kan zo'n statuut ook niet scheppen, zegt staatssecretaris Van Amelsvoort in de toelichting. Dat lijkt vanzelfsprekend - die taak is voorbehouden aan de wetgever (of de rechter) - maar tegelijk zit daarin de pijn. Blijkens de toelichting is het statuut gebaseerd op de veronderstelling dat de wetgever streeft naar “evenwichtige rechtsposities” tussen belastingdienst en belastingplichtige. Daarmee is het hele statuut echter in feite beland op drijfzand, afgaande op een beschouwing van de raadsheer in het Amsterdamse gerechtshof mr. J.B.H. Röben eerder dit jaar in het Weekblad voor fiscaal recht.

Voorzover er ooit al zo'n evenwicht heeft bestaan, is dat in elk geval de laatste vijf jaren verstoord. Voor de belastingplichtige zijn er immers alleen maar verplichtingen bijgekomen of nieuwe aangekondigd, aldus de rechter die een waslijst voorbeelden aanhaalt, zoals de verzwaring van strafrechtelijke en administratieve sancties, de reeds genoemde uitbreiding van informatieverplichtingen (binnens- en buitenslands) en verruiming van de mogelijkheden voor de fiscus terug te komen op een eenmaal vastgestelde aanslag.

Röben: “het is dus nu weer de beurt aan de belastingplichtige om er enkele rechten (bescherming) bij te krijgen”. Gezien de aard van het statuut komt dat neer op een verhoogd niveau van zelfcontrole door de fiscus - waar hij dan wel aan te houden dient te zijn. Het statuut mist echter tanden. Een in het oog springende omissie vormt de zogeheten "sfeerovergang', het moment waarop een fiscale controle omslaat in een strafrechtelijk onderzoek. Voor de betrokkene is dat van groot belang te weten (de verdachte is niet tot antwoorden verplicht), maar de moeilijkheid is dat beide bevoegdheden vaak bij dezelfde functionaris van de belastingdienst berusten. En die is daarover niet altijd even duidelijk. Typisch een onderwerp voor zelfcontrole.

De tegenhanger van zelfcontrole is het klachtrecht van de burger. Mede door toedoen van de Nationale Ombudsman heeft dit de laatste jaren ook wel wat meer aandacht. Toch zou het geen overbodige luxe zijn wanneer het statuut met zoveel woorden buiten twijfel stelt dat de klagende burger geen nadeel van een klacht mag ondervinden. Boven aan het klachtenlijstje van de Ombudsman, overigens niet alleen in het geval van de fiscus, staat gebrekkige informatie: geen of te laat antwoord, onvoldoende uitsluitsel. Het statuut zegt niets over behandelingsberichten en heeft als enige concrete mededeling dat de belastingdienst “er naar streeft” bezwaarschriften binnen drie maanden af te doen. “Mooi, maar niet erg hard” was het dodelijke commentaar van de Ombudsman.

Kern van de problemen is, zoals Giele signaleert, dat bij de belastingdienst “een enigszins verwrongen rechtsbeeld” is ontstaan. Toch is het volkomen legitiem voor de burger te streven naar belastingmatiging - uiteraard binnen de grenzen van het oirbare - zoals de Hoge Raad ook heeft erkend. Het statuut neemt dit over maar typerend blijft volgens Giele dat “er geen vreugde bij de fiscus bestaat als bij boekenonderzoek blijkt dat er eigenlijk niets te corrigeren valt”. “Wijsheid” zou volgens Giele in een rechtsstaat moeten gelden als het eerste gebod, maar het is de vraag of zoiets wel valt voor te schrijven. Toch is het wel degelijk mogelijk dat de fiscus zichzelf in het statuut met zoveel woorden bindt aan het redelijkheidsbeginsel bij de individuele belastingheffing.

Nu blijft het voor de burger teveel een sigaar uit eigen doos.