De speculanten en de rentestand

In Italië steeg de rente vorige week tot 20 procent. De Zweden moeten nu 18 procent betalen, Spanjaarden bijna 14 procent. Dat zijn dan rentestanden voor één maand (omgerekend op jaarbasis) die belangrijk zijn voor het bedrijfsleven. Binnen de financiële sector verlenen banken en commissionairs elkaar voortdurend krediet voor nog kortere perioden, en de rente op zulk "daggeld' in Zweden haalde vorige week zelfs de voorpagina's: 75 procent op jaarbasis.

Dan rijzen twee vragen: als het al zo moeilijk is om een stelsel van vaste wisselkoersen een week langer te laten overleven, is het dan wel de moeite waard om toe te werken naar wisselkoersen die definitief aan elkaar vastzitten en daarna naar de ene Europese munt? En ten tweede: is het geluk of wijsheid dat Nederland deze keer de rentedans lijkt te ontspringen en dat wij hier weinig last hebben van financiële turbulentie, en bovendien nog steeds lijken te ontsnappen aan de recessie die heeft toegeslagen in alle Engelssprekende landen en in Scandinavië?

Wanneer het tegenwoordig al zo moeilijk is om het einde van de week te halen met vaste wisselkoersen tussen de West-Europese munten, hoe zal het dan niet gaan wanneer die munten definitief vast zijn gekoppeld aan elkaar in de zogenoemde derde fase van de Europese Monetaire Unie, laat staan wanneer er ooit één munt komt? Geen wonder dat het enthousiasme over de ene munt de laatste tijd niet bepaald is toegenomen, want de ervaringen dit jaar in Italië, Engeland en de Scandinavische landen zijn al zo schadelijk, dat het verder bewandelen van de moeizame weg naar de ene munt misschien alleen maar nog meer rampspoed zal brengen. Die snelle conclusie lijkt logisch, maar is dat niet. Immers, Alaska en Florida hebben het eindpunt van de weg bereikt en hanteren dezelfde munt, maar we lezen niet dat de rente in Florida opeens 75 procent wordt om een aanval van speculanten af te slaan.

In West-Europa zijn de speculanten nu actief, precies omdat het Europese monetaire systeem, inclusief bijwagens als Zweden en Finland die eenzijdig proberen mee te doen, een halfbakken systeem is. De munten in Europa zijn vast zolang als het duurt, maar kunnen nog veranderen en dan komt er bij een zwakke valuta al gauw het moment waarop de speculanten niet precies kunnen raden in welk weekend de aanpassing van de wisselkoers zal plaatsvinden, maar wel wat de richting zal zijn van de koersverandering: een devaluatie van de munt die onder vuur ligt. Om te voorkomen dat het speculeren - bedoeld als risicovolle sport met kans op winst maar ook verlies - ontaardt in schieten voor open doel, moet de Centrale Bank van het onder vuur liggende land wel de rente heel erg verhogen, zodat de aardigheid afgaat van de meest gebruikelijke vorm van speculatie, namelijk lenen in de valuta die gaat depreciëren, het geleende bedrag omwisselen in D-marken en pas na de devaluatie weer terug ruilen in de oorspronkelijke munt waarvan de speculant dan 5 of 10 procent meer ontvangt. Die manoeuvre wordt vreselijk riskant, wanneer de speculanten wel lires, ponden of Zweedse kronen lenen en dus de torenhoge financieringskosten gaan betalen, maar zich vergissen voor wat betreft de datum van de devaluatie en grote rentekosten maken zonder dat daar enige devaluatiewinst tegenover staat.

Door de hoge rente blijft de strijd open tussen centrale banken (dat zijn wij uiteindelijk allemaal tezamen als belastingbetalers) en de speculanten, maar dat gaat wel ten koste van de economie. Ongetwijfeld is daarom de huidige fase van het EMS schadelijk voor alle landen die lijden onder speculatieve aanvallen, maar daaruit volgt niet dat we moeten terugkeren van de weg naar de ene munt, maar dat pas het eindpunt van die weg - één munt voor een streng geselecteerde groep van sterke landen - comfortabel en stabiel is. De twee duurzame monetaire arrangementen zijn: of de ene munt voor een aantal stabiele lage-inflatielanden, want dan zijn de speculanten werkeloos, of een vrij zwevende wisselkoers, zoals bijvoorbeeld de Japanse yen, waarbij de speculanten maar moeten raden in welke richting de koers morgen weer zal veranderen en bovendien de Japanse regering alle vrijheid houdt om een binnenlands beleid te voeren dat in het nationale belang is.

Nederland blijft niet alleen gespaard voor rentestanden van 18 of 20 procent, maar lijkt ook definitief te ontsnappen aan de recessie die zoveel andere landen treft. De economische pijn in landen als Engeland en Zweden heeft veel te maken met het harde tempo waarin de inflatie naar beneden is gedrukt. In Engeland was de inflatie 8 procent op het moment van toetreding tot het Europese monetaire systeem. Nog geen twee jaar later is de Engelse inflatie gedaald tot minder dan 3 procent. In Zweden was de teruggang in de inflatie nog scherper: van 10 procent in 1991 tot 3 procent op dit moment. De ervaring leert dat een land op geen enkele manier de inflatie in zo'n geforceerd tempo kan terugbrengen zonder dat een recessie volgt in de economie. Gelukkig was in ons land de inflatie heel nauwkeurig in de pas gebleven bij de Duitse inflatie en is de stijging van onze loonkosten zelfs jaar in jaar uit geringer dan in de Bondsrepubliek. Nederland en Duitsland proberen nu geleidelijk de inflatie terug te brengen van 4 procent naar 2 procent en zo'n daling met 2 punten moet de economie zonder grote schokken kunnen verwerken.

Was een recessie in Engeland al onvermijdelijk wegens de abrupte omschakeling op een anti-inflatiebeleid, de pijn is nog scherper door twee extra factoren. Bij de huidige wisselkoers van het pond kan de Engelse industrie onmogelijk internationaal concurreren, zodat de export geen soelaas biedt voor de problemen in het binnenland. Na de devaluatie van de lire, zal sterling binnenkort wel moeten volgen. Bovenop al die narigheid komt nog een daling van meer dan 30 procent in de huizenprijzen en tenminste 50 procent in de waarde van kantoorgebouwen. (Na correctie voor de inflatie).

Een splinternieuw gebouw aan Canary Wharf is te koop voor 40 procent van de bouwkosten. Hier in Nederland hadden wij niet lang geleden te kampen met zes jaren van dalende huizenprijzen (1978-84), en iedereen weet nog wat de gevolgen waren voor de verkoop van bankstellen, auto's, dure vakantiereizen en alle andere vormen van consumptie die een in knel geraakte huizenbezitter nog wel een jaar kan uitstellen. Deze keer heeft Nederland verhoudingsgewijs geluk, niet alleen omdat ons inflatieprobleem met een top van niet meer dan 4 procent veel bescheidener was dan in Engeland, Zweden, Italië of Spanje, maar ook omdat onze loonkosten heel gunstig zijn in vergelijking met de Europese concurrenten en bovendien de Nederlandse woningmarkt gestaag in waarde blijft toenemen. Zo is onze economie robuust genoeg om de ook hier toegenomen leegstand in de kantorenmarkt op te vangen. Spectaculair is onze economisch groei geenszins, maar in verhouding tot al die omringende landen komt Nederland er in deze recessionaire periode goed van af.