Beschaving ontspringt uit botsing van culturen

Het lijdt geen twijfel dat de Europese beschaving haar spankracht, aantrekkingskracht en uitstralingskracht grotendeels te danken heeft aan de veelheid en veelvormigheid van de culturen die haar in de loop der eeuwen hebben gevoed en nog voeden. Algemeen wordt dan ook de Europese culturele pluriformiteit als een groot goed beschouwd. Veelal, maar niet altijd, ligt etnische en/of religieuze veelvormigheid ten grondslag aan die culturele verscheidenheid. Om een bekend Frans gezegde te parafraseren: uit het botsen der culturen ontspringt de beschaving.

Wil culturele pluriformiteit kunnen functioneren als beschavingsfactor, dan is een vreedzaam samenleven van de verschillende culturen een absoluut vereiste. Overheerst en onderdrukt de ene cultuur de andere, of worden culturen gescheiden door wat voor belangentegenstellingen ook, dan werkt pluriformiteit destructief. Zie de balkanisering van het voormalige Joegoslavië en de vroegere Sovjet-Unie.

Hoewel politici graag lippendienst bewijzen aan pluriformiteit als beschavingsfactor, zijn hun daden niet zelden in strijd met hun woorden. Niet alleen in de genoemde landen zijn culturele en etnische minderheden decennialang onderdrukt in naam van een monolitisch partij- en staatsbestel. Ook democratisch geregeerde landen maken zich vaak schuldig aan directe of slinkse discriminatie. Dicht bij huis weten de Friezen en de Vlamingen daarvan mee te praten. En in een land als Frankrijk wordt culturele pluriformiteit al eeuwenlang onderdrukt. Bretons, Basken, Catalanen, Corsicanen en Elzassers hebben ternauwernood overleefd; de Vlaamse cultuur in de Franse noordwest-hoek is uitgeroeid. Maar ook een minister van cultuur die Europese culturele pluriformiteit toejuicht en intussen het culturele leven in de provincie welbewust verschraalt, begaat een zonde.

Voor de volkerengemeenschap is het altijd moeilijk gebleken in het geweer te komen tegen discriminatie en onderdrukkking van etnische, culturele en religieuze minderheden, omdat de daaraan schuldige regeringen zich meestal verschuilen achter de beschermende muur van nationale soevereiniteit. Pogingen tot interventie worden al snel als inmenging in binnenlandse aangelegenheden van de hand gewezen.

Daarin nu kan een verandering ten goede komen door twee uiterst belangrijke initiatieven van de sedert 1949 in Straatsburg zetelende Raad van Europa (niet te verwarren met de Europese Raad van de EG), oorspronkelijk een organisatie van de Westeuropese democratisch geregeerde landen, waarvan nu ook Midden- en Oosteuropese democratieën deel (kunnen) uitmaken. De Raad van Europa timmert niet aan de weg, maar heeft zich in de loop der jaren grote verdiensten verworven voor culturele samenwerking in Europa, en vooral ook op het terrein van de mensenrechten. De Europese Culturele Conventie van 1954 beoogt in algemene zin bewaring en ontwikkeling van het Europees cultureel erfgoed. Het kroonjuweel van de Raad van Europa is de Europese Conventie tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Rome, 1950). Deze legt niet alleen verregaande verplichtingen aan de lidstaten op, maar levert ook de instrumenten om de naleving af te dwingen, waaronder het Europese Hof voor de rechten van de mens. De Conventie geeft de individuele burger het recht een geding tegen de eigen staat aan te spannen, en biedt daarmee de ruimste bescherming van de rechten van de mens.

Zich mede baserend op deze Conventie, heeft de Raad van Europa twee nieuwe verdragsrechtelijke instrumenten ontwikkeld, die vèrstrekkende bescherming (kunnen) bieden aan minderheden. Het eerste is een Europees Handvest voor regionale of minderheidstalen. De voorbereidende behandeling van dit handvest is afgerond, en dit ligt per 2 oktober aaanstaande gereed ter tekening door de lidstaten. Het treedt in werking wanneer vijf regeringen hebben laten weten zich door het handvest gebonden te achten. Het bevat uitvoerige en gedetailleerde bepalingen voor het gebruik van regionale (geen dialecten) of minderheidstalen bij het onderwijs, het rechtswezen, de administratieve praktijk, het media- en het cultuurbeleid. In Nederland zou het Fries er verdergaande rechten aan kunnen ontlenen dan het nu bezit.

Een tweede instrument is nog in de ontwerpfase. Het is een Europese Conventie voor de bescherming van minderheden, te weten etnische, taal- en religieuze minderheden, alsmede de individuele leden daarvan. Onder minderheid wordt verstaan: “Een groep die kleiner in getal is dan de rest van de bevolking van een staat, en welks leden die onderdanen van die staat zijn, etnische, religieuze of linguïstische karaktertrekken hebben die verschillen van die van de overige bevolking, en die geleid worden door de wil hun cultuur, tradities, godsdienst of taal te beschermen”.

Er zal nog veel water onder de bruggen van Donau en Seine doorstromen, eer deze ontwerpconventie in werking treedt en op ruime schaal de beoogde bescherming aan minderheden biedt. Maar wil de Europese volkerengemeenschap toekomstige Abchazië's en Bosnië's voorkomen, dan zal zij met spoed het eerdergenoemde handvest voor minderheidstalen en deze ontwerpconventie in praktijk moeten brengen. Terecht immers staat in de preambule van de ontwerpconventie dat “een doelmatige oplossing voor het minderhedenprobleem een essentiële factor is voor democratie, gerechtigheid, stabiliteit en vrede”. Het is oneindig veel verkieslijker die bijdrage aan stabiliteit en vrede te leveren, dan militair in te moeten grijpen in verwaarloosde conflictsituaties.