Beckett gereduceerd tot huiskamerformaat

Voorstelling: Gelukkige dagen van Samuel Beckett. Vertaling: Jacoba van Velde, decor: Jos Groenier. Regie: Carol Linssen, spel: Christine Ewert en Carol Linssen. Gezien: 11/9 Appeltheater Den Haag.

Gelukkige dagen bevat weinig regieaanwijzingen, maar die zijn dan ook van dwingende aard. Wie ze niet opvolgt, stuurt al gauw de absurde logica van Samuel Beckett in de war. Iets dergelijks is er aan de hand met Carol Linssens enscenering van dit stuk voor toneelgroep De Appel. In zijn regie is hoofdpersoon Winnie niet tot aan haar middel in een zandheuvel ingegraven, maar steken hoofd en romp uit een gat in een volkomen vlakke vloer. Die verandering in het voorgeschreven toneelbeeld heeft grote gevolgen voor de rest van de voorstelling.

Becketts heuvel is een geniale vondst, omdat zich achter die heuvel een tweede personage hoort schuil te houden, een oude man die Willie heet. Als er dan af en toe toch een stuk krant, een snor of bolhoed vanachter de glooiing te voorschijn komt heeft dat een komisch effect, bovendien versterkt Willies onzichtbaarheid de eenzaamheid van zijn tegenspeelster. Nu echter ligt de halfnaakte en in zijn geheel zichtbare man maar wat op de grond te spartelen. Vermoedelijk drukt Linssen hiermee zijn voorkeur uit voor een kwetsbare Willie die letterlijk en figuurlijk aan allerlei gevaren is blootgesteld.

Bij Beckett bestaat dat gevaar in de eerste plaats uit een verzengende hitte; het stuk speelt zich immers ineen leeg en boomloos landschap af. Maar Linssens parketvloerroept eerder associaties met een balzaal vlak voor sluitingstijd. Hier zit het tweetal weg te smelten onder het licht van tientallen kroonluchters, hetgeen een weinig geloofwaardige indruk maakt. Geeft deze luisterrijke verlichting misschien een contrast met de ontluistering van de personages aan?

Door er een kamerstuk van te maken schakelt Linssen de metafysische dimensie van het stuk vrijwel volledig uit. Winnie, die al met meer dan twee benen in haar graf staat, probeert haar lot op diverse manieren te verzachten. Ze geeft zich over aan rituelen uit haar vroegere damesachtige leventje, ze vijlt haar nagels en verft haar lippen. Ze troost zich met citaten uit de wereldliteratuur, en ergens is er een onzichtbare instantie die zij dankt voor dergelijke "weldaden'. Voor het Hogere lijkt Linssen zich niet bovenmatig te interesseren; zijn belangstelling gaat eerder uit naar de alledaagse misère binnen het huwelijk. In zijn visie is Willie vooral blootgesteld aan Winnies oeverloze gebabbel.

In het tweede bedrijf, wanneer Winnie tot aan haar hals in de grond is gezakt, gaat alle aandacht van de toeschouwer uit naar dat sprekende hoofd, dus naar haar mimiek en intonatie. Ewerts "Jantje huilt, Jantje lacht'-gezichten zijn zeker ontroerend, maar met haar stem zou ze veel meer kunnen doen. Ze speelt een lieve oma die tijdelijk wat van slag is. Zo wordt Becketts grootse parabel van de vergeefse hoop gereduceerd tot een overzichtelijk drama dat precies bij het formaat van het Hollandse binnenhuis past.

    • Anneriek de Jong