Zeepfabriek De Fenix sneuvelt door eisen van moederconcern; Unilever denkt nu eenmaal groot

ZWOLLE, 12 SEPT. Het lijkt haast te symbolisch. Woensdag kondigde Unilever aan zeepfabriek De Fenix in Zwolle te willen sluiten. Gisteren begonnen twee schilders de buitenkant van de fabriek een nieuw verfje te geven. Zal de Fenix ditmaal nog voor zijn dood herrijzen? Niemand in Zwolle gelooft er meer in en de twee schilders mogen met hun nutteloze bezigheid dan ook eerder symbool staan voor de verrassing die de aankondiging van Unilever toch nog was.

Ondanks de laatste dertig jaar, mag je wel stellen. Want als er één fabriek zijn naam eer aan heeft gedaan, dan is het wel De Fenix geweest.

“Laat ik eerlijk zijn”, zegt J. Baakman, directeur van het bedrijf tussen 1969 en 1990, “toen Unilever De Fenix in 1964 kocht was dat al uit puur defensieve overwegingen. Men had te veel last van het afwasmiddel "Abro' waar het bedrijf toen een sterke marktpositie mee had. Toen ik directeur werd zeiden ze me dat ik niet eens naar Zwolle hoefde te verhuizen. Ze gaven het bedrijf nog hooguit twee jaar.”

We staan met Baakman op de binnenplaats van de fabriek, waar 125 mensen werk hebben. Heftrucks rijden af en aan om de nog steeds gulzige vrachtwagens te laden. Per jaar rijden zij met 60 miljoen flessen Dubro, Lux, Glorix en Robijn de poort uit. De Fenix haalt tot op dit moment een jaaromzet van ongeveer 150 miljoen gulden. De oud-directeur wijst om zich heen. “Doodzonde. Dit is geen verouderde fabriek. Er staan hier zeer moderne installaties, waarmee uitstekend geproduceerd kan worden. Op microniveau had dit best door kunnen draaien. Maar ja, bij Unilever denkt men macro. En dat moet ook wel, maar het is sneu voor de mensen hier.”

De Fenix is slachtoffer van het proces van “concentratie en rationalisatie” dat moedermaatschappij Unilever (in feite de was- en reinigingsmiddelenpoot Lever Nederland) in Europa uitvoert. De ooit twintig zeepfabrieken die Unilever in Europa had, moeten teruggebracht worden tot een totaal van hooguit zeven. De Fenix mag dan moderne produktiecapaciteit hebben, de fabriek die midden in een Zwolse woonwijk staat, beschikt over te weinig (uitbreidings)ruimte om te kunnen voldoen aan de eisen van grootschaligheid die Unilever stelt.

De markt voor was- en reinigingsmiddelen in Nederland is een redelijk getrouwe afspiegeling van de wereldmarkt. Unilever en het Amerikaanse Procter & Gamble delen er de lakens uit, een iets mindere rol is toebedeeld aan concerns als het Duitse Henkel, Sara Lee/DE en Colgate. Volgens schattingen van directeur J.W. van Hoogstraten van de Vereniging van Nederlandse Zeepfabrikanten wordt er in Nederland voor 1,1 miljard gulden "ex-fabriek' aan zeep geproduceerd: wc-reinigers, toiletzeepjes, bleek- en wasmiddelen in vloeibare en poedervorm, wasverzachters en afwasmiddelen. Er gaat jaarlijks circa 35 miljoen liter afwasmiddel doorheen (aandeel Dubro: 25 procent) en 45 miljoen liter wasverzachter (Robijn: 44 procent). De gemiddelde Nederlander gebruikt 21 kilo zeep per jaar en dat is al decennia zo. Het is een “door z'n aard stabiele markt” en de fabrikanten moeten om te groeien vooral elkaar bestrijden. Onder de 40 leden van de VNZ zijn evenwel nog steeds zelfstandig opererende, kleine fabrikanten. Die hebben volgens Van Hoogstraten een “goed bestaansrecht”, maar zijn vooral gespecialiseerd in de produktie van winkelmerken, bulkprodukten en industriële zeep.

De Fenix produceert echter al sinds de jaren dertig uitsluitend A-merken. De ontstaansgeschiedenis van het bedrijf begint al veel eerder en wel in 1719, toen vermoedelijk Zwolse kloosterlingen besloten wat bij te verdienen aan de produktie van zeep (uit hennep-olie en as, vandaar de link naar de Fenix/Phoenix.) Het (familie)bedrijf begon onder de in 1935 aan het roer gekomen dr. A. Broek zijn gloriejaren. Broek specialiseerde zich in vloeibare zeep: het afwasmiddel dat hij de beginletters van zijn eigen naam meegaf (Abro) en het chloorbleekloog dat de voorloper van de nu bekende Glorix werd.

Toen Unilever het bedrijf in 1964 overnam had het een omzet van 15 miljoen gulden en waren er 200 mensen in dienst. Broek had net daarvoor nog Dubro geïntroduceerd (wat de afkorting moest zijn voor zoiets als Dubbel zo goed-Broek). Het ging De Fenix daarna tegen verwachting zo goed dat Unilever het onmogelijk kon maken “het goudmijntje” (Baakman) om zeep te helpen. In '77 deed het moederbedrijf toch een nieuwe poging De Fenix te kortwieken, door voor te stellen een deel van de produktie over te brengen naar Vlaardingen. Het verzet vanuit Zwolle was groot en had succes, mede doordat het bedrijf de enkele jaren daarvoor op de markt gebrachte wasverzachter Robijn haast niet kon aanslepen.

Vijf jaar geleden werd het logo van De Fenix nog ingrijpend vernieuwd. Een goed teken, vond men in Zwolle. Maar in 1990 zette Unilever toch door en werden de afdelingen marketing en verkoop van de produktievestigingen Vlaardingen en Zwolle in Capelle aan den IJssel samengebracht. “Toen beseften we eigenlijk wel dat het einde in zicht was”, zegt Baakman. Maar hoop doet leven en de klap kwam van de week dus toch nog onverwacht. “Het blijft zonde dat zo'n hele mooie moderne Glorix-lijn nu weg moet.” Hij groet een oudere vorkheftruck-chauffeur. “En dat al die mensen straks geen werk meer hebben.”