Varkensoren

Enige tijd geleden maakte iemand mij opmerkzaam op een speciale hosta, een geurende soort.

Hosta's hebben al zoveel in hun voordeel (ondoordringbare bodembedekker, fraaie bladeren, soms opvallende bloemen) dat het nauwelijks redelijk leek dat ze ook nog zouden geuren. Geen van mijn hosta's doet dat, of tenminste niet zo dat je er iets van merkt; die exotische soorten, dacht ik, zijn gereserveerd voor specialisten, niet voor gewone stervelingen zoals ik. Maar toen, gemotiveerd door zuiver wetenschappelijke nieuwsgierigheid, snoof ik eens aan de enige op het ogenblik nog bloeiende hosta in mijn tuin. Tuinieren is vol verrassingen: deze nogal alledaags uitziende vertegenwoordiger van de soort bleek een vrij sterke geur af te geven, iets als een lelie, en meer herinnerend aan hoogzomer dan aan het begin van de herfst.

Deze hosta was naamloos tot mij gekomen, een geschenk uit iemands tuin. Vorig jaar bracht zij een boel bladeren voort en verder niets; dit jaar, ofschoon uitbundig besproeid door de kat (heel moeilijk te verhinderen: als je het ziet gebeuren - van de plant afgekeerd, staart trillend omhoog - is het al te laat) begon zij te bloeien in juli, met hoge stengels die zuiver witte bloemen droegen. Het was alsof een nogal banaal en onopmerkelijk meubelstuk, zeg een keukenstoel, zich plotseling ontpopte als een Chippendale.

Misschien is het beter om geen plantennamen te weten: als ze niet doen wat ze behoren te doen blijf je in je gelukzalige onwetendheid en als ze het wel doen is het alsof je een wonder in de schoot krijgt gegooid. Intussen denk ik, na in enkele handwerken de hosta-sectie te hebben doorgelezen, dat deze plant een Hosta plantaginea moet zijn, misschien zelfs een H.p. grandiflora (die ""dezelfde bloemen, maar met langere en smallere bladeren een lossere vorm heeft'', aldus Graham Stuart Thomas), de enige hosta die oorspronkelijk uit China komt - alle andere zijn Japans - en klaarblijkelijk een eersteklas plant. De mijne bloeit op het ogenblik nog steeds en er is nog een bloemstengel in de maak.

Deze positieve ervaring staat in scherpe tegenstelling tot de recente pogingen die ik, languit op het natte grind liggend, heb ondernomen om de geur van de Cyclamen cilicium te ontdekken. Toen de eerste cyclamen uitkwamen (een van mijn C. hederifolium bloeide op 31 juli, een maand eerder dan vorig jaar), waren de weersomstandigheden mild genoeg om deze operatie mogelijk te maken; maar de verschijning van de eerste bloem aan de cilicium was het sein voor drie weken ononderbroken regenval, geen aansporing om op de grond te gaan liggen en aan een plant te ruiken die zo vlak boven de grond bloeit. Bij de geringste opklaring stormde ik naar buiten, maar alles wat ik tot dusver heb geroken is vochtige aarde.

""Zeer duidelijk geurend'', schrijft Robin Lane Fox (in Variations on a Garden). Ik vraag het me af. Maar het zou ook kunnen dat er iets mis is met mijn reukvermogen: ik ben er ook nooit in geslaagd de befaamde geur van Iris foetidissima te ruiken ('"The leaves smell vaguely of roast beef when bruised'', schrijft G.S. Thomas. Ik heb ze ook gebruised, maar geen roast beef). Het is troostend om daarbij te denken aan een opmerking van Christopher Loyd: ""Ik herinner mij dat ik verbaasd was toen ik voor het eerst hoorde dat Clematis orientalis behoort te geuren. Wie het ook was die dat voor het eerst gezegd heeft, hij had vermoedelijk bij het snuffelen zijn vrouw vlak achter zich staan, en dan was die geur van haar en niet van de bloem.''

Dit is de eerste keer dat ik de Cyclamen cilicium in bloei heb zien staan; ik kocht ze vorig najaar, in potten, toen hun bloei al voorbij was. Ze lijken veel op de meer alledaagse C. hederifolium; een van de manieren om ze te onderscheiden is, tot mijn spijt, hun geur, hetgeen mij diskwalificeert. Overigens zijn de bladeren nogal duidelijk anders, ronder, maar die verschijnen pas later. Ze in potten te kopen, als je ze kunt vinden, verdient zeker de voorkeur boven het kopen van de droge knollen, ondanks het prijsverschil; deze cilicium heeft copieus gebloeid en de enige hederifolium die ik in een pot gekocht heb heeft nu wel 25 bloemen, zeker twee keer zoveel als de andere.

Een ander voordeel van het kopen van een cyclamen in een pot is dat je haar dan niet gemakkelijk ondersteboven in de grond zet. Ondanks alle goede adviezen ('"de bodem is uitgehold in een concaaf profiel'' - Lane Fox) is het mij vorig jaar toch nog gelukt een cyclamenknol ondersteboven te planten. Toen er niets opkwam heb ik hem opgegraven; onderaan zaten een paar arme verschrompelde uitlopers die de strijd hadden opgegeven - er zijn bollen en knollen die deze handicap te boven kunnen komen maar niet de cyclamen. Ik zette haar met de goede kant boven in de grond terug en waarachtig, dit jaar heeft zij gebloeid.

Elke plant heeft haar moment van glorie maar die van de cyclamen zijn onovertroffen. Eerst krijg je de bloemen, variërend in kleur van zuiver wit tot donkerroze, bloeiend boven de kale grond; dan pas komen de bladeren, prachtig gemarmerd en met een verschillend patroon op elke plant, die de hele winter blijven, kleine bladbergjes ingebed tussen de afgevallen herfstbladeren. Nog afgezien van hun wonderbaarlijke vermogen zo dicht bij de voet van een boom te gedijen, zijn ze ook objectief heel mooi. Er is iets vertederends aan ze, hetgeen ik tot voor kort toeschreef aan het feit dat ze zo klein zijn en toch zo sterk. Maar toen las ik Robin Lane Fox' beschrijving van hoe de bloemen van de hederifolium hem aan de oren van Piglet (Knorretje in de Nederlandse vertaling) deden denken.

Een briljante observatie, het klopt volkomen. Ze mogen dan niet geuren - dat zien we door de vingers, daar hebben we de hosta voor - maar zowel hederifolium en cilicium hebben de oren van Piglet, alias Knorretje. Niet zozeer wanneer ze achter hem aan fladderen in de wind, zoals Lane Fox er dan nog een schepje bovenop doet, maar gewoon de dagelijkse, zwierige Piglet-oren, uit zijn kop recht naar boven stekend, zachtjes wiegend in de bries; en roze, zoals het een varkentje betaamt.