Uit de brieven van Fons Jansen; "Het leven is iets te zwaar, niet veel, maar wel iets'

Fons Jansen (1925-1991) was in de jaren zestig en zeventig voor katholiek Nederland een baanbrekend cabaretier. Hij dreef de spot met alles wat de officiële kerk heilig was. Zijn succes was groot. Hij werd, zijns ondanks, een bekende Nederlander. Wie was deze gesloten man die geen waarde hechtte aan roem? Het onlangs verschenen brievenboek "Postuum' licht een aantal tipjes van de sluier op. Het werd samengesteld door Ricky Mullenders, een vriendin van Jansen, die ruim twintig jaar met hem correspondeerde.

Fons Jansen, "Postuum', uitgeverij Balans, ƒ 29,50.

Ricky Mullenders (63): ""Rouwverwerking in mijn positie was moeilijk. Toen Fons was gestorven, dacht ik: hij heeft niet gewild dat ik bij de pakken zou neerzitten. Ik moest door, maar drie weken later zat mijn rug opeens op slot. Ik kon een tijdje nauwelijks meer lopen, mij werd letterlijk een halt toegeroepen. De twee pijlers onder mijn leven vielen weg: Fons èn mijn werk als psychotherapeute bij de Riagg in Maastricht, dat mij een te zakelijk bedrijf was geworden. Ik moest mijn leven een andere koers geven.''

Ze zette zich aan een bloemlezing van de ruim duizend brieven die ze sinds 1969 - het begin van hun verhouding - van Jansen had gekregen. Het resultaat ligt tussen ons in: het boek Postuum, met "intieme gedachten over God, liefde en dood' van Fons Jansen.

Een curieus, niet in alle opzichten bevredigend boek. Het werpt een verrassend licht op de mens-achter-de-cabaretier, over wie weinig bekend was omdat hij journalisten nooit veel meer wilde vertellen dan de standaardverhalen over zijn leven. Maar toch blijft ook in Postuum veel onbesproken, juist ook de gecompliceerde achtergronden van de intensieve relatie - tot aan zijn dood - met Ricky Mullenders. Deze relatie bestond naast zijn huwelijk - Jansen was een thuiswonend vader van vier kinderen.

Het lijkt erop dat u een zware censuur op de brieven heeft toegepast door bijna alle verwijzingen naar de persoonlijke verhoudingen te verwijderen.

""Dit boek is de vrucht van onze relatie. Mensen die de geboorte van hun kind bekendmaken, vertellen er ook niet bij onder welke omstandigheden ze dat kind verwekt hebben. Dat hoort tot het domein van de intimiteit van de betrokkenen. Als je zo'n relatie bijna 25 jaar geheim hebt gehouden, ga je niet meteen alles in de openbaarheid gooien. Dat vond ik niet juist tegenover zijn vrouw, en ook Fons zou me dat niet in dank hebben afgenomen.''

Maar heeft hij dan wèl gewild dat dit boek, met een voorwoord van u, zou uitkomen, zodat nu iedereen kan vermoeden wat er aan de hand was?

Ze diept een overlijdensadvertentie uit haar omvangrijke Fons Jansen-archief op. De tekst luidt: ""Liefde is de stroom. Dood en verdriet zijn de tegenstroom. Onze liefde is sterker... en stroomt door... Fons - Ricky.''

""Hij heeft voor zijn dood twee stappen gezet waarmee hij het geheim heeft prijsgegeven'', zegt ze. ""Deze advertentie heeft hij samen met mij opgesteld. Bovendien vond hij dat binnen een jaar na zijn dood een selectie uit zijn brieven aan mij moest verschijnen. Hij heeft mij ook het auteursrecht gegeven, anders had ik het helemaal niet kunnen doen.

""Fons heeft niet gezegd: gooi die brieven onverkort in de publiciteit. Hij heeft gevraagd of ik de gedeelten wilde selecteren die interessant zijn voor de mensen die hem al die jaren hebben gevolgd. Het moest een soort testament worden - in plaats van memoires die hij graag wilde schrijven, maar waarvoor hij geen tijd meer had. Hij wilde een onderlaag van zijn denkwereld en gevoelsleven tonen die hij nooit in zijn cabaret had kwijtgekund.''

Heeft hij u verzocht bepaalde zaken niet te publiceren?

""Nee, dat is mijn beslissing geweest. Misschien zou hij iets van onze relatie in zijn memoires hebben beschreven. Hij heeft mij wel gevraagd na te denken over saillante feiten en data uit onze geschiedenis. Maar ik kon die keuze niet voor hem maken. Ik wil niets wat in de sfeer van de affaire Rubinstein-Carmiggelt komt. Ik heb dat boek van Rubinstein natuurlijk met rooie oortjes gelezen, juist ook omdat de situatie zo vergelijkbaar was, maar ik wilde de privacy - zowel van Fons, zijn vrouw als van mij - niet schenden. Hoe wij die situatie gehanteerd hebben, is onze zaak - en is niet geschikt voor boek of krant.''

Waarom heeft u het boek dan niet onder pseudoniem gepubliceerd?

""Dan had ik me als het ware tot nul moeten herleiden, en ik weet zeker dat Fons dat niet gewild heeft. We hebben niet voor niets die overlijdensadvertentie samen opgesteld.''

Het resultaat is tweeslachtig: een boek over "de mens' Fons Jansen, maar niet over datgene wat zijn leven bijna 25 jaar lang tot in de kern heeft geraakt. Was het niet beter geweest die brieven pas over twintig jaar, maar dan ongecensureerd, te publiceren?

""Wie interesseert het dan nog? Bovendien, het was zijn uitdrukkelijke wens: binnen een jaar. Helaas hebben we geen tijd meer gehad om te overleggen wat er wel en niet moest worden opgenomen. Twee maanden na de diagnose - longkanker - was hij al dood.''

Ik begrijp dat zelfs in de naaste omgeving van u beiden niemand - behalve zijn gezin - iets van uw relatie heeft geweten. Hoe heeft u het zo geheim kunnen houden, en waarom?

""Door waakzaam te zijn, zeer waakzaam. Ik had mijn huis in Maastricht en mijn leven erop ingericht. Als hij kwam, dan mochten er hier geen mensen over de vloer zijn. Ik heb dat wel eens vervelend gevonden tegenover vrienden, maar onze relatie ging voor. Openbaarmaking had niet gekund, onze relatie zou erdoor in de wieg zijn gesmoord. Fons was een bekende Nederlander. De buitenwereld, de boulevardpers voorop, zou zich op ons hebben gestort, terwijl de aard van ons contact juist was gericht op innerlijkheid, rijping, zoeken naar de zin achter de dingen. We hebben aan elkaar heel wat opgehelderd. Ik was, mede door mijn beroep, altijd bezig met individuele mensen, Fons liet me de grotere verbanden zien.''

Fons Jansen gold vooral in de jaren zestig en zeventig als het satirische geweten van progressief, katholiek Nederland. In zijn eerste cabaretprogramma uit 1962, De lachende kerk, dreef hij op goedmoedige wijze de spot met de dogmatische geloofspraktijken van de officiële kerk. Hij trok er volle zalen mee en groeide geleidelijk uit tot een van de belangrijkste cabaretiers van Nederland, ook al zou hij in de schaduw blijven van "de grote drie', Kan, Sonneveld, Hermans.

Jansen was een moeilijk peilbare man. Hij schuwde het publiciteitscircus en de artiestenwereld. In 1972 schrijft hij aan zijn vriendin: ""De liefdadigheidsnacht in Amsterdam was walgelijk. Alle mogelijke artiesten die ik niet ken, vol kapsones en afstand; een onverteerbaar milieu waar ik nooit meer in hoop terug te komen. Hoor daar niet thuis.''

Uit zijn brieven komt hij tevoorschijn als een eenzelvige, bescheiden man - trots op wat hij bereikt heeft, maar zich bewust van zijn beperkingen. Hij wist zich de mindere van zijn grote voorgangers èn van de nieuwe generatie, De Jonge, Van Kooten en De Bie, Van 't Hek. In 1976 schrijft hij over Neerlands Hoop: ""Vanavond naar Neerlands Hoop geweest. Zó goed. Ze zijn gegroeid èn in felheid èn in mededogen en tederheid. Precies wat ik zoek. Echt het cabaret dat het best de tijdsfeer, het levensgevoel vertolkt.''

""Ik ben helemaal geen artiest'', vond hij van zichzelf. ""Ik ben een schrijver. Zo voel ik me ook. Een amateur. Echt! Maar de zalen stromen vol. Desondanks.''

""Roem zei hem niks'', zegt Ricky Mullenders. ""Het ging hem om waarheid, om authenticiteit, om de metafysische kwesties van het leven.'' Hij verafschuwde de small talk van feestjes en recepties. ""Feesten ontaarden altijd in oppervlakkigheid'', schrijft hij. ""Ik ben gefocust op intimiteit en eerlijkheid. Heb ook de pest aan verjaardagen en dergelijke. Je krijgt nooit eerlijke dingen boven.''

Hij was al 37 jaar toen hij voor het eerst op het toneel verscheen. Ricky Mullenders leerde hem in 1958 kennen, toen zij beiden als stafmedewerker op het vormingscentrum "Waalheuvel' voor katholieke militairen werkten.

""Het was in de periode dat we ons uit het dogmatische keurslijf van de kerk probeerden te bevrijden. Wij moesten die soldaten voorlichten over het gezag van de kerk, de seksuele moraal, het gezin. De normen begonnen te verschuiven. Periodieke onthouding mocht wel, maar voorbehoedmiddelen nog niet. Ik kreeg al op de allereerste dag groot respect voor Fons. Ik kende hem alleen van zijn boeken en van zijn artikelen uit G3, het blad voor katholieke militairen waarvan hij redactiesecretaris was. Hij stelde me op mijn gemak, vertelde me hoe ik die jongens moest benaderen en bereidde de groep voor op mijn komst.

""We waren collega's, maar ook vrienden. Als hij met een van zijn kinderen door het zuiden toerde, bleef hij wel logeren. Ik herinner me dat hij me zijn eerste krabbeltjes voor De lachende kerk voorlas. We hebben kromgelegen en ik heb hem aangemoedigd ermee door te gaan. Zijn cabaret is ontstaan uit lezingen. Daar verwerkte hij steeds meer humor in. Aan zijn serieuze artikelen voor G3 en zijn boeken had hij niet meer voldoende. Het prettige van cabaret was voor hem dat hij geen kerkelijke goedkeuring meer nodig had - dit in tegenstelling tot zijn teksten voor G3. "Geen nihil obstat voor cabaret', zei hij altijd.

In 1979, als hij zijn grootste successen achter de rug heeft, zal hij over zijn publiek schrijven: ""Het belangrijkste is voor mij dat men zich in mijn gedachten en gevoelens herkent. De zaal groeit erdoor tot een wij-samen, wij zijn niet alleen. Ikzelf krijg de verificatie die ik vroeger moest missen. Wat ik voel, voelen zij ook. Ik ben niet gek of alleen, hoor maar: zij vinden het ook. Dat was de grote verrassing toen ik aarzelend en bang met mijn voorzichtige kritiek op de kerk begon: zij twijfelen ook. Waarom hebben ze dat nooit gezegd? Waarom deden ze net of alles zeker was?''

Een andere keer schrijft hij: ""Ik ben geen vernieuwer geweest, ik was meer een sloper.''

Ricky Mullenders: ""Hij was zich bewust van zijn rol in het veranderingsproces van de katholieke kerk in Nederland. Hij zag zichzelf als iemand die een tijdje op zijn manier de kar moest helpen duwen. Hij wilde de neurotiserende factoren van de kerk ontzenuwen. Er moest een gevoelsdenken in plaats van het dogmatische denken komen. Hij was wat je noemt een cabaretier met een boodschap.''

Later moet hij teleurgesteld vaststellen dat ook de invloed van de cabaretier beperkt is. ""Ik kanker al vier programma's op het CDA'', schrijft hij in 1982. ""En het CDA groeit nog steeds. Waar werk ik eigenlijk voor? Je preekt tòch voor eigen parochie.'' En vier jaar later: ""Over de verkiezingsuitslag ben ik verbitterd. De PvdA heeft - behalve wat winst bij jullie - alleen maar de klein-linkse partijtjes opgevreten. Verder is alles hetzelfde gebleven. De rijken hebben gewonnen. Gaf ik dáárvoor mijn laatste twee cabaretprogramma's een draai naar links?''

Hij merkte dat het cabaret zijn eigen wetten had: het publiek wil niet in de eerste plaats beleerd worden, het komt vooral om te lachen. ""Ik schaam me voor mijn oppervlakkigheid'', schrijft hij in 1976. ""Wil meer durven en meer zeggen en niet zo hangen op de lach! Ik vind het zo erg dat ik mijn ontroering niet kwijt kan.''

Ricky Mullenders: ""Hij had zo vreselijk graag iets móóis gemaakt, maar hij was te geremd om dat op het toneel te proberen. Zodra iemand iets te ernstig vond, gooide hij het eruit. Dan koos hij toch maar weer voor de lach. Maar hij wist dat hij meer in huis had, en ik denk dat hij daarom ook zo graag dit boek na zijn dood gepubliceerd wilde hebben.''

Na het lezen van Etty Hillesum schrijft hij in 1982: ""Is zo'n mensheid eigenlijk wel waard om te worden gered? Willen we tot zo'n mensheid nog behoren? Willen we medeplichtig blijven? Ik begin er heilig van overtuigd te raken dat we òf oogkleppen voor moeten doen òf ons moeten verdoven. Het niet kunnen veranderen begint me te overspoelen. Als ik ervan getuig, komt er geen hond meer naar mijn voorstellingen.''

In 1984 neemt hij definitief afscheid van het cabaret om terug te vallen op zijn oude stiel: het geven van lezingen. ""Het lachen was voorbij'', zegt Ricky Mullenders, ""hij had geen zin meer om zijn kritiek leuk te verpakken. Hij had zijn zevende programma al klaar, maar opeens wilde hij niet meer. Zijn eerste programma's gingen louter over de kerk, daarna betrok hij steeds meer de wereld erbij. Hij werd eerder feller dan milder. Hij zag de dingen scherp, maar ook met veel mededogen. Eten is er genoeg, zei hij altijd, maar het wordt niet goed verdeeld - daar leed hij echt onder.''

""Gelukkig kom ik mijn crisis meer en meer te boven'', schrijft Fons Jansen in maart 1975. ""Als ik doodga is het after all van angst. Hoezeer ik zal huilen om al het goede en lieve dat nooit meer terugkomt, het moment dat ik voor niets meer verantwoordelijk zal zijn, zal een bevrijding betekenen. Het leven is iets te zwaar, niet veel, maar wel iets.''

Toch was hij geen depressief man, vindt Ricky Mullenders. ""Hij was wel ernstig, maar hij zakte niet weg in zijn problemen. Hij kon heel goed objectief naar zichzelf kijken. En als hij ergens niet uitkwam, vond hij het gewoon om daar hulp bij te vragen.''

Terwijl katholiek Nederland de lachstuipen kreeg bij De lachende kerk, frequenteerde Jansen de psychiater. ""Van 1962 tot 1965 was ik in een klassieke psychoanalyse'', schrijft hij zijn vriendin. ""Ik zag geen uitweg meer uit tegengestelde gevoelens. Tweeëneenhalf jaar lang, 550 keer naar dokter Van Bork in Utrecht. Op de brommer. 550 zittingen (liggingen) van drie kwartier. Een verdomd langdradige en omslachtige methode. Maar er was niks beters. En ik ben er toch zeer goed mee geholpen. De psychoanalyse doet je ontdekken hoe het gekomen is.''

""Hij heeft een heel moeilijke jeugd gehad'', zegt Ricky Mullenders. ""Zijn angst waar hij het steeds over heeft, is terug te voeren tot zijn jeugd.''

Ook zijn woede over de rol van de kerk moet uit zijn jeugdervaringen zijn voortgekomen. Hij groeide op in een streng-rooms gezin in Bussum. Zijn moeder, een Duitse vrouw met een broze gezondheid, kreeg in vijf jaar vijf kinderen. Jansen was een jaar oud toen zij met een postnatale depressie moest worden opgenomen in een psychiatrische inrichting waar ze nooit meer uit zou komen: ze overleed er 56 jaar later. In een interview zei hij eens: ""Mijn moeder was altijd heel lief, nooit agressief. Maar er was niets van herkenning. Ze leefde in een andere wereld.'' Huishoudsters en tantes voedden hem op - soms lief, maar één tante sloeg hem elke dag.

In De lachende kerk zong Jansen later op muziek van Louis Davids: ""Wij hebben jaar op jaar een kind gekregen/ weet je dat nog oudje/ de dokter had er wel eens wat op tegen/ weet je dat nog oudje/ toch zeiden we toen: 't is de wil van de Heer/ nu schrijft hier 'n bisschop: dat hoeft nu niet meer/ weet je dat al oudje?''

Ricky Mullenders: ""Hij had, als hij tijd van leven had gehad, naast zijn memoires nog een boek willen schrijven over, zoals hij het noemde, "de verneukte generatie'. Hij was vreselijk kwaad op die kerk die door haar strakke moraal het huwelijk van zijn ouders had verwoest.''

Met zijn vader, ooit cellist bij het Concertgebouworkest, later na een brouille met Mengelberg een verbitterde bankemployé, had hij weinig contact. Zijn vader kreeg van de kerk geen toestemming te hertrouwen. Jansen schrijft: ""En nadat ik bij Van Bork al ontdekt had dat ik inderdaad een moeder had gemist, heb ik bij Nevejan [een psychotherapeut] enorm gehuild om het feit dat er nooit gevoelscontact was met mijn vader. Vader in zijn beklemmende verantwoordelijkheid zei bij het minste geringste gevoelsuiten: "Jongen, doe gezond gewoon.' [...] Alle belangrijke herinneringen aan vroeger zijn herinneringen aan momenten dat ik met mijn gevoel alleen stond.''

Als hij, veel later, in een film van Bert Haanstra een moederloos aapje ziet, schrijft hij: ""Het zat steeds tegen een muur naar de muur te kijken en wist niet hoe het moest. Ik herkende daar veel van mijn eigen onzekere jeugd in. Later vond ik houvast in de kerk (dogma en moraal!) en in militaire dienst, waar voor alles een draaiboek was.''

Ricky Mullenders: ""Hij heeft door zijn achtergrond al heel vroeg iets zorgelijks gekregen. Maar zijn moeilijke jeugd werd tevens zijn grote creatieve krachtbron.''

Als katholiek liet hij zich pas na het bezoek van de paus in mei 1985 uit de registers schrijven. Ricky Mullenders: ""Door het pausbezoek werd hij opnieuw geconfronteerd met alles waar hij zijn leven lang tegen geschreven en gevochten had. Het was net of er niets gebeurd was. De kerk in Nederland werd niet toegestaan de vernieuwingen door te voeren. Daar was hij heel boos over.''

Maar in veel opzichten had hij al lang van de kerk afscheid genomen. Al in 1974 schrijft hij, doelend op de moderne mens: ""Wij doen net of wij het einde zijn. Ik begin daar wat aan te twijfelen. Maar ik doe het voorzichtig om niet in de leer van de kerk verstrikt te raken. Ik wil niet terug.''

In 1978 citeert hij instemmend de Bhagwan: "" "Liefde is: iemand toelaten in je diepste wezenskern.' Wat goed gezegd. Wat wáár is dat. De r.k. kerk leerde het altijd andersom. Dat móest dus wel fout aflopen.'' En later: ""Het leuke van hem (Bhagwan) vond ik dat ie dan wel geen kerk gesticht heeft, maar toch een geestelijke stroming vertegenwoordigde die naar mijn weten de eerste was die een verzoening tot stand bracht tussen seks, religie en geestelijke gezondheid, psychisch welzijn. [...] En dat waren de grote hangijzers in de kerk. Zie onze huidige paus die seks in één adem noemt met drugs en alcohol.''

Hij zal later terugdeinzen voor de charlatanerie van de Bhagwan, maar hij blijft naarstig zoeken naar nieuwe, religieuze inspiratiebronnen. Hij noemt zich "een agnost met een religieus vermoeden'. ""God is de verborgen toverkracht in alles en ook in mij'', schrijft hij in 1987. ""Een verborgen licht. Meer weten we niet. De kerken hebben ons grotelijks belazerd. Dus ter uitzuivering rest ons voorlopig niets als de ascese van het ongeloof en de twijfel. We moeten er niet meer intrappen. God is aan zet.''

Uiteindelijk komt hij uit bij Krishnamurti, de geestelijk leraar uit India, die afkerig was van regels en dogma's: de mens zou de vrijheid alleen kunnen bereiken door onafhankelijke, persoonlijke waarneming van het religieus hogere. ""Ik hoef ook helemaal niet meer bij "God' uit te komen: de oplossingsmascotte van de kerken'', verzucht Jansen in 1989. En: ""Krishnamurti gooit alle godsdienst op de mestvaalt. Ze zijn ook niet meer dan het rondsjouwen met dode profeten - al of niet verrezen en verdwenen in het niets.''

Hij maakt, minder dan een jaar voor zijn dood, kennis met Zen-meditatie. ""Dat zitten mediteren'', schrijft hij, ""is niet: niet-denken, maar rustig-worden rond de chaos in je en te midden van je illusies. Ze niet wegwerken, niet ontvluchten. Het universum is in je. Let it be.''

Ricky Mullenders: ""Krishnamurti èn de cantates van Bach hebben hem geholpen om in het grotere bewustzijn te komen en werkelijk vrij te zijn. Hij was absoluut vrij op het laatst.''

In januari 1991 krijgt hij te horen dat hij aan een agressieve vorm van longkanker lijdt.

Laconiek noteert hij: ""Soms vraagt me iemand hoe ik nou tegen de dood aankijk. Nou, ik kijk er niet tegenaan, de dood is er al. Het denken is gestopt. Het kakelen van de geest is opgehouden. Ik moet door een zwarte poort van het niets. Ik koester het zijn: ik ben er nog, ik adem nog - en weet dat het straks ophoudt. Ik ben niet bang, ik moet nu gewoon stil worden. Nee, ik ben niet bang om me te "ontledigen', me over te geven.''

Fons Jansen sterft op 23 maart 1991 in zijn woonhuis te Hilversum.

Ricky Mullenders: ""Hij heeft behandeling - chemotherapie - geweigerd. Hij zei: of ik nu in februari of augustus doodga, dat maakt niets uit. Hij heeft altijd gezegd dat hij niet in "een geneesfabriek' terecht wilde komen.

""Hij heeft maar één dag liggen sterven. Tot het laatste moment is hij helder gebleven. Ik heb na zijn dood nog twee briefjes gekregen.''

De laatste brieffragmenten uit Postuum: ""Het komt wel goed met mij, hoor, ik heb toch mooi geleefd. Er komt een bodem in me van: het is goed zoals het geweest is. Misschien niet volmaakt, maar wèl goed en ook genoeg. En er is iets na de dood, ik voel dat nu als heel zeker.

""Ik ga mij steeds positiever voelen. Ik groei naar steeds meer verdieping en stilte en alles in mij is zeer helder.''